Honig uit den rotssteen - pagina 219
215 te hebben alle ijdele inbeelding, en de klare, nuchtere, zuivere waarheid aangaande zich zelf onder de oogen te hebben ge„Ja, waarlyk bij Grod, zoo is zien, alsnu er voor zouden uitkomen het ook bij mij gelegen! Zoo staat het ook met mijn ziel! o, Grod,
weggevaagd
:
wees mij arm zondaar genadig!" geeit d&iï de vertroosting der Schrift! door die lijdzaamheid en die vertroosting weer hopel Hope, maar waarlijk niet de hope, dat we zelf nog wel een stroompje opsporen, zelf nog wel een groen plekje om op te weiden vinden zullen In dit opzicht is er niets dan wanhoop. Want als de ziel er o, zoo aan toekomt, dan is het of het zand al dorder, de rotssteen al gloeiender wordt, o, of alles om ons heen den spot drijft met de aêmech-
Dat maakt dan lijdzaam! Dat
En
van onze afgedoolde
tigheid
ziel.
we door het nog eens te probeeren, nu het rechte pad wel vinden zullen. Want, als die ontboezeming van den Psalmist ons in der waarheid ingehoezemd. is, dan zijn we voor den weg blind; en zien niets meer; en kennen niets meer; en zouden niet eens meer zeggen kunnen, of het uit het Oosten moest komen of uit het Zuiden Neen, die hope bestaat dan eenig en alleenlijk daarin, dat we weer gelooven gaan. Gelooven gaan, dat we zulk een genadig Herder hebben, die zijn negen en negentig schapen bij elkaar in de woestyn laat, om het ééne schaap dat verloren is te zoeken. Een Herder, die „Nu, dit ééne schaap is toch weg. Het is ook zijn eigen niet denkt schuld. Laat het dan maar verloren gaan." Maar die tot zich zelven
En
toch
niet de hoop, dat
ook
eindelijk
:
zegt: die
„Ook dat ééne schaap heb ik van den Vader gekregen!" en om 's Vaders wil^ weer op het zoeken van dat schaap uit-
nu,
gaat, en niet aflaat eer hij het vond.
Die hope komt dan daardoor, dat we weer gelooven. Gelooven, dat zulk een machtig Herder hehhen^ die eens aan het zoeken, ook macht heeft om de plek te ontdekken, waar we nederliggen. Die, hoe ver de afstand ook zij, hoort als onze ziel tot Hem kermt. En die, of het al over steilten en langs afgronden gaat, niets te veel, niets te pijnlijk acht, om „het verloren kind" zijnen en onzen G-od
we
weer terug
te brengen.
Och, wie zóó verloren is, die komt dan ook terecht. niet zegt: „Heere, ik zal u wel zoeken!" maar die schreeuwt met al de energie des geloofs: „Heere, zoek Gij uw knecht!" Wie niet roept: „Red mij, opdat ik leve!" maar: „Grun mij leven, opdat ik U love!^^ En wie, zelfs als hij daar te sterven ligt, nog getuigen durft: !" „Want ik volhard naar uw gehoon te hooren
Wie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's