Honig uit den rotssteen - pagina 56
52 toch liet ergste der ergernissen, het kwaad dat de Heere vooropstelt en in de eerste plaats noemt, is dat de vaders ook hun kinderen in het kwaad meetrekken^ en dat ook die knechtkens en meiskens, verleid eer ze het zelven weten, al lachend en stoeiend meêzondigen en „het hout bijeenzamelen en aandragen", dat vader ontsteken zal en waarop men afgodische gaven zal offeren! Dat, dat is voor zijn teedere liefde de bitterste bitterheid, en daarvan vooral klaagt de Heilige Israëls: „Mij, hun God, doen ze verdriet aan!" En nu, vertoont het volk Grods in onze dagen ook te dien opzichte met het Israël der oudheid niet maar een al te droeven trek van gelijkheid?
Of
er niet, ook in de beste,
de vroomste kringen onder u, een waar het de gemeente der toekomst, waar het de lievelingen van ons hart, waar het de gedoopte lammerkens van Christus geldt? In ernste, is dat dan inderdaad en in waarheid het stuk der erfzonde practisch belijden, als we in stee van gestadig bij onze kinderen toe te zien, dat niet door onze schuld in het zondig, en dies zoo ontvankelijk hart nieuwe giftdruppelen indringen, ze eer nog zelf bederven, door ze uit den beker onzer eigen bezwijmehng te doen meedrinken en de krankheid, die ons zelven aankleeft, te laten overgaan ook op hun teer en jeugdig gemoed? Waar, zoo bid ik u, vindt ge nog heden ten dage, zelfs in Christelijke en zeer Christelijke kringen, dien toeleg om het nog onbekeerde kinderhart in de wet een tuchtmeester tot Christus te geven, door in vastheid van leiding, in strengheid van opvoeding, in regelmaat van orde als een palissadeering om de kostbare veste van 't kinderhart op te werpen, opdat de invloed van het verderf daarbuiten minder gemakkelijk het bederf dat daarbinnen schuilt, aansteken en besmetten kan? o, Ge vindt zeer zeker ook nu nog, nu zelfs meer dan vroeger, een dringen, vaak een min beleidvol dringen, om ook het jonge kind reeds tot bekeering en tot aankleving aan den Heiland uit te drijven, Gewisselijk, er valt te roemen, meer vaak dan vroeger te roemen in een aanbrengen aan onze kinderkens van kennisse der Schrift. En, we haasten ons er bij te voegen, aan vermaning, aan minzame terechtbrenging, aan toespraak vol ernst en trouwe schort het onzen kinderen waarlijk niet. Maar zou dat alles ook in Jeruzalem niet met het „oplezen van het hout" voor vaders outer en moeders afgod zyn saamgegaan? En werpt ge dan de gedachte zoo verre van u, dat ook van u, ook van liw kring, ook van uw gezin, terwijl ge alzoo vromelij met uw kinderen voortdrentelt, in den hemel geklaagd wordt, dat ge „verdriet aandoet aan uwen God?" is
stuitend
tekort
van voorzorge,
juist
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's