Honig uit den rotssteen - pagina 52
48 ook de verdeeldheid der broederen de eenheid van het bidden onmogelyk maakt, of wel de luchthartige zin die rondwaart het tot geen bidden kan brengen! Maar immers ook van onzen tijd het maar al te droeve beeld En zijt ge er dan zoo zeker van, dat, ook nu, bij het verstommen of wegsterven onzer publieke gebeden, ook nu weer het „uitstorten van het stil gebed" begonnen is? Is al wat er over het gebed gesproken wordt, en van voorbiddinge beloofd en om voorbede gevraagd wordt, dan waarlyk een door de kieren heenschijnen van den gebedsglans, waartoe het daar binnen of
reeds
kwam?
Wordt
er in stilte, en in die stilte met heiligen met heimwee naar „het bidden met allen" gebeden?
ernst,
maar ook
Nemen de bidders toe ? Niet enkel die bidden voor eigen lot en leven, voor eigen huis en hart, maar ook die andere bidders, wier hart zich naar Zion uitbreidt en weent omdat het volk lijdt en klaagt omdat het heilige wierd geschonden, en smacht of het Koninkrijk haast kwam? Houdt dat stil gebed aan? Aan, ondanks het toenemen der bedrukking, en het donkerder worden van het verschiet, en dat de duivelen in onze binnenkamer ons uitlachen en tergend vragen wat nu dat knielen en dat stamelen ons baat? Is, wordt het een bidden, waar de Greest allengs het gebed, den geest der gebeden, in brengt, zoodat het perst en dringt daar binnen, en er niet maar een druppelen van gerekte woorden is, maar een uitstorten^ gelijk Jesaia zegt, van dat verborgene, dat gedempte, dat „stille gebed" voor den Heere? Bovenal, bidt wie bidt niet over den nood en voor den nood, maar zóó dat hy zelf er in^ zelf er onder ligt en alzoo uit den nood smeeken kan om ontbinding der banden? Let wel, ik meen niet, doordien hij in zijn verbeelding er zich indenkt, of ook uit liefde er zich inleeft, maar zóó dat hij zelf onder eigen schuld en zonde wegzinkend het ^^ook om my," „om mijn schuld" en „7nijn zonde" bij het aanschouwen van dien geestelijken jammer op hoort klimmen uit de diepte van een geraakte, van een geknakte, van een verbrijzelde consciëntie, die weer dorst met de hitte van den koortsdorst naar het bloed dat verzoent. Och als men in zulke gebedsgangen wordt ingeleid, dan is men zóó klein, zoo niets in eigen oog en voelt zich zoo weggezonken in zijn geheel nietigen staat, dat men schier bevreesd wordt voor het geluid van zijn eigen stem en schrikt van zijn eigen woorden, en, den adem als inhoudend, eer zucht dan fluistert, eer kermt dan smeekt, een geestestoestand door den heerlijken Jesaia eens zoo schilderachtig in deze prachtige woorden geteekend: „Alzoo zult ge dan vernederd worden, dat uw spraak uit het stof zachtjes zal op-
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's