Honig uit den rotssteen - pagina 50
46 ziel zoo dronken van haar ingebeelden wellust te maken, dat zij zich op dit gevaarlijk punt ten leste niet meer goed kan houden en zich haars ondanks (maar o, als het ontnuchteren mocht om er Grod voor te danken) in haar hoogmoedig bedenken voor den geestelijken kenner verraadt. En als men dan in zijn doodelijke zelfverheffing, daar zoo hoog boven allen, vlak bij den top van het heilige, „op de tinne des tempels" staat, o, dan sluipt vanzelf, als een kwaad, dat steeds van den hoogmoed onafscheidelijk bleek, de nog ergerlijker inbeelding in de ziel: dat een geestelijk zoo hoog geklommene wel in bijzoiidere gunste zyn Grod zal staan, en dat Grod wel alle tyden en gelegenheden bij schikken zal, om zijn plannen, om zijn gelukstar, om zijn ingebeelde
glorie te dienen!
Dit maakt den hoogmoedige dan overmoedig, als bestonden voor een zoo bijzonder mensch als hy is de gewone perken en palen van Grods ordonnantiën niet meer, en als mocht hij wel al zijn euvelen afgaande op de in hem zondige gedachte: moed er aan wagen „Zijn engelen beveelt Hij toch om my op te vangen. Wie zich ook kwetse, mijn voet stoot zich aan die steenen niet!" En nu vindt ge er onder die lieden, die op de tinne des tempels aldus zich zei ven staan te streelen, zeker ook onbekeerde, verharde, verstokte zielen, die straks den sprong in de diepte wel aan moeten en zich dan te pletter zullen vallen op den hoeksteen van Grods heilig huis; en onder die vereelte schijnheiligen vindt ge er allicht ook die geestelijke vaders werden geacht, of leidslieden, die zelf blind, de blinde schare leiden wilden, och altegader rampzaligen, die des nachts en niet des daags zijn. Immers, de zwaluw hangt heur kunstigen korf daar hoog onder „de tinne des beneden aan Grods altaren op; tempels" bouwt alleen de vledermuis haar nest! Maar toch, gelijk ik in den aanvang zei, voor verre het grooter deel zijn die lieden op de tinne des tempels uit Grods beste en edelste kinderen genomen, en die juist door de uitnemendheid van hun geestelyke gaven naar dezen ,, toren der hoogheid" zich lieten heenlokken. En natuurlijk, deze blijven daar niet. Zij komen weer naar beneden. En maken den vloer Zij zoeken eens het bloed des altaars weer op. van Grods heerlijk huis nog eens nat met hun tranen. Maar toch, ook zoo, blijft het broederplicht hen daar in die koude, En daarom gaat ook deze ijle bovenlucht niet te laten verkleumen. stem weer naar boven uit, of er daar onder de broederen op de tinne des tempels, ook nu weer mochten zijn die ze hooren en er naar doen en weer afdalen wilden, door niets in het hart gegrepen dan door die ééne macht, die zelfs Jezus onze Heere als steunsel aangreep, d. i. door het onvoorwaardelijk, alles afdoend, ziel ver brij zelend „Daar staat geschreven!" Geschreven in het Woord van onzen Grod!
—
!
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's