Honig uit den rotssteen - pagina 244
240
XCYIII. jnEecntien tat
3fl
meer ontbangen
soutien*
En de eersten komende, meenden dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk eenen penning. Matth. 20
Er
is
van Grod
verschil, groot verschil, in geestelijke lotsbedeeling.
heeft zijn eigen pad, elk verloste zijn eigen weg.
:
10.
Elk kind
Een naam
in den keursteen gegrift, dien niemand onder menschen kent, dan de persoon zelf die dien ontvangt. En zoo ook draagt elk pelgrim zyn eigen kruis, om aan dat kruis, op een manier die by zijn ziel staat
hoort, te sterven.
Make die wetenschap u uiterst voorzichtig in het beoordeelen van anderer genadestaat of anderer geestelijken loop. Want gij zoudt liefst zien, dat het ieder verging, zooals het a vergaat; en dat uw bekeeringsweg maatstaf bleek voor al Grods kinderen. En toch dat is niet zoo. De eeuwige mogendheid des Heeren Heeren is te majestueus, om niet vrijmachtig te zyn, en die vrijmacht Gods doet het bij den een aldus en bij eens anders ziel alzo o; eeniglijk daarbij geleid door goddelijk welbehagen. Maar er ligt meer in. Er ligt ook een gedachte in, die menig afgedoold zieleleven opeens weer in het rechte spoor kan dryven. Zie, er zyn onder de belijders van Jezus, die een zeer lichten weg hebben. Menschen zelfs die tot op hun ouden dag de wereld hebben genoten en de zonde hebben gediend en nu, toegebracht door genade, na hoogstens een paar jaren van worsteling, kalm ontslapen in hun Heere. En daartegenover staan dan anderen, die, jong bekeerd, een halve eeuw en meer al de hitte des daags en de innerlijke worsteling van het geloof en al den last der wereld hebben gedragen. Er zijn er, die in lieven kring levend, niet dan lieve deelgenooten van het heil om zich zien, en, zelf van een kalm karakter, na een leven van ongestoorde rust, gelaten inslapen, om op te waken in den ;
eeuwigen morgen. En weer anderen zijn er, die op een eenzamen post, te midden van spotters en godloochenaars, met hun eigen heftig temperament, eiken morgen en eiken avond op de pijnbank gaan, en gedurig bijna geheel afgebracht van hun geloof, nog in hun stervensangst naar boven zien, als vroeg hun brekend oog: „Heere God! zal ik wel bij
U
komen?"
En
ook, er zijn er, die de plagen des levens niet dan van zeggen kennen en de slagen van het lot nooit voelden strieom het eigen hart, maar schier in alles voorspoedig, in alles op
hooren
men
zoo
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's