Honig uit den rotssteen - pagina 208
204
maar
uitsluitend zijn godlijk oog boeien laat door die kleine, zondige schepselen, die we „menschen" noemen, en nu uitroept: „In die menschen is myn vermaking"; dat zijn mijn bosschen; dat is nu voor mij uw Grod het schoone van die wereld; in die menschen wereld is al mijn lust! Haast niet om te gelooven zoudt ge zeggen. Die menschenwereld stuit u telkens tegen de borst. Gedurig ontloopt ge ze, om u in Grods natuur te vermaken. Zelfs uw naaste levenskring ergert, grieft en bedroeft u telkens. De vromen evengoed als die buiten staan. Soms die vromen zelfs het meest. En da^n te hooren van uw Grod: „In die menschenkinderen is al mijn vermaking;" of uw God van menschen te hooren zeggen „Zie, dat is nu mijn Gilead, mijn hoogte van den Libanon!" Maar vergissen we ons dan? Zijn dan de menschen niet zoo onrein, onheilig, goddeloos en schandelyk als wij het ons voorstellen? Ziehier Gods Woord, laat dat u antwoord geven, en dan verneemt ge, dat ge nog veel te goed over die menschen oordeelt, dat ze nog veel dieper zonken, dan ge inzaagt. Met name wat uw eigen ziel, uw eigen persoon aangaat, dat het veel jammer lijker met u staat, dan menschen van u denken, of ge voor u zelf bekennen wilt. Merk het maar op in het Bijbelwoord zelf, dat hierboven staat. Die vorsten en prinsen, tot wie dat gezegd wordt: „Gy zijt mijn Gilead en mijn hoogte des Libanons," zijn schandelijke, goddelooze mannen voor den Heere God geworden, tot in bloed vergietens toe. En daarom, wilt ge dit geheim verstaan, open er dan uw oog voor,
bijna
nietige,
!
:
o, menschenkind, dat die heerlijke, heilige God zich nooit in iets vermaakt wat het schepsel doet, maar alleen en eeniglijk in zijn eigen werk. En nu is er een werk Gods aan eiken boom en elke bloem. Een werk Gods ook aan elk vogelke dat zingt in het woud. Maar oneindig hooger staat toch het werk dat God doet in de kinderen der menschen. Reeds in wat ze denken en spreken en bidden kunnen.
Maar
allerhoogst en allerheerlijkst het zaligmakend genadewerk, Hij uit wezens wier adem in hun neusgaten is en die uit stof zijn en tot stof wederkeeren, fonkelende starren in zyn uitspansel
het
waardoor
maakt, kinderen van zijn eigen leven, eeuwige wezens om eeuwig te jubelen voor zijn troon. Dat is het alles te boven gaande kunstwerk van den Oppersten
Bouwmeester. Als God aan
zijn engelen de macht zijner heerlijkheid toont, dan monstert Hij niet als Salomo voor Seba's koningin al den schat van zijn bergen, maar dan wijst de Ontfermer op die vergadering der volmaakt rechtvaardigen in den hemel, en zegt „Dat waren allen eens goddeloozen, en uit die goddeloozen heb Ik door myn genade :
dat gemaakt!" En zoo begrijpt dan een ieder, hoe
God de Heere,
juist
omdat
die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's