Honig uit den rotssteen - pagina 129
125 der aarde waar ook menscLen leven, zonder einde gestreden wordt tegen den levenden Grod! Of is Satan dan niet oneindig machtiger en geweldiger en dreigender dan de machtigste Emir, en zijn zijn slagen en raadslagen dan voor het pit en de kern van ons menschelijk wezen en leven niet onvergelijkelyk gevaarlijker? Gaat de ziel dan niet boven het lichaam? Met God op vrede te komen, is dat voor u, voor al onze broederen en landzaten dan een zaak die zich op één dag ook maar noemen laat met de tenonderbrenging van Atjeh? Ja, is dat ijselijke van het oorlogsveld niet nog kinderspel vergeleken bij de yselijkheden van de diepte des verderfs, waarin eens de verslagenen des Heeren zullen wegzinken? Maar weet ge dan niet, dat hie7' reeds zoo vaak een beknelde ziel in dien hangen strijd zoo doodelijk benauwd en benepen kan worden, dat ze liever zelf zich den dood aandoet, dan dat langer uit te staan ? En toch, wat is die benauwing, die verschrikking, die hier gekend wordt, wat is ze nog, vergeleken bij wat in de eeuwigheid komen zal, of wilt ge, vergeleken by dat onmenschelijk lijden, dat den Zone Gods het zweet van het aangezicht deed afleken „als groote druppelen bloeds?" Och, die „krijgen en krijgjes" der soldaten verwoesten voor een jaar of meer zoo nu en dan een kleine landstreek, maar die strijd van Gods Geest tegen den geest van onze onheiligheden en den Onheilige die in ons werkt, och, die stryd is immers oorzaak van al het leed, van al het wee, van al den jammer en al de namelooze ellende, die eiken dag, aan alle einden der aarde, door menschen van ons vleesch en ons been wordt uitgedronken; oorzaak van al die „krijgen en krijgjes" ook; maar oorzaak bovendien van al wat er op den verborgen achtergrond van het hart nu reeds voorgevoeld wordt en eens zal te doorworstelen zijn voor wie tot geen vrede met dien
En
God kon komen.
oceaan van menschelyken jammer sluit men het over die beekjes der ellende de holheid van zijn gedachten te verraden! En dat, o, mijn volk, zijn uw leidslieden! Neen, keer u dan van die blinde leidslieden toch liever, zou ik zeggen, naar Gods aanminnige engelen toe, die heuschin Efrata's velden den palm des vredes niet over het slagveld onzer soldaten, maar wel wezenlijk over het slagveld der geesten hebben gewuifd, en toen ze van „Vrede op aarde!" zongen, wel waarlijk op die onpeilbaar diepe en onmetelijke ellende hebben gedoeld, die nu reeds zestig bange eeuwen toorn en verbolgenheid over ons brengt om onze vijandschap tegen den heiligen God! oog,
voor
om
dien
alleen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's