Honig uit den rotssteen - pagina 156
152 linge zyner inkomste." En met al den aangrgpenden weemoed der beleedigde liefde laat de Heere hun nu afvragen, of het dan aan Hem heeft geschort? Of Hij dan geen woord heeft gehouden? Of er dan
gebrek is gevonden in de liefde van Hem, hunnen Grod? „Hoort Heeren woord, zoo toch gaat de Godspraak voort, gij geslachten van het huis Israëls: Wat voor onrecht hebben uwe vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zijn zelven ijdeler dan de ijdelheid geworden?" En wat bij deze grievende smart den Heere nog het grievendst zeer doet, is dat de kinderen Israëls, nu hun Grod hen wel verlaten moest, Hem den Heere niet eens missen. Hij mist hun liefde zoo bitterlijk, maar het gemis van zijn liefde wordt door zijn volk niet meer gevoeld. Want onder hen gaat geen klachte op, en zij zeggen niet: „Waar is de Heere? Waar is de Heere die ons opvoerde uit Egypteland, die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land waar niemand doorging en waar geen mensch woonde?" snijdt, het snijdt diep in het vleesch der ziele, dat klagen o. Het van Grods vaderhart. Maar, indien er nog iets machtig is, de verdorde liefde in het hart van Grods volk weer te doen uitbotten, is het dan niet dat weenen der Groddelijke liefde? Of is het dan nu anders, nu beter dan toen? Beter voor Grod ook in uw en mijn hart? Of: „Dit heb Ik tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt," wie onzer las dat ooit, zonder dat het rood der schaamte hem zelf over het gelaat toog, en hij met bittere zelfbeschuldiging terugdacht aan die onbeschrijflijke zaligheid van het eerste minnen, maar ook aan die schandelijke vergetelheid van Grods oneindige ontferming, waarin hij telkens weer verzonk. En wijl nu Gods Woord ook thans nog scherper is dan een tweesnijdend zwaard, drong heilige ernst ons, ook dit korte woord van de „eerstelinge der inkomste" u, mijn lezer, op het harte te binden, of het ook in u wellicht een zielsbeweging mocht wekken, die geen „o, ruste vond dan in den toon der boete en der zelfveroordeeling Myn ziel, ik zal weer opstaan en tot mijn lieven Vader gaan, en tot Hem zeggen: Vader, ik heb tegen uw liefde gezondigd en uw Vadereen des
:
hart bedroefd!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's