Honig uit den rotssteen - pagina 142
138 wonderveel
op
elkaar; en tocli zou een kleine vergissing in de keus
van den zaadkorrel heel den oogst noodzakelijk bederven. Maar meer kan hij dan ook niet. En al wat geestelijk werk, en groei aanbrenen
gen,
doen
en
gedijen,
doen rijpen, en vrucht uitstooten
is,
daar
staat hij zoo machteloos tegenover als een kind tegenover een gesloten
deur. Dat moet een ander; dat kan niet hij doen. En zoomin als zijn vindingrijkheid, en zijn inspanning, en toewijding, en zijn vroomheid in staat zou zijn geweest om ook maar één enkel graankorreltje te scheppen, en hij dus bij het zaaien er niets aan of toe kan brengen,
dan het werktuiglijk uitstrooien van een hem gegeven ding; op de manier die hem gezegd; en in den akker die hem aangewezen was; zoo ook kan hij aan al wat nu verder met dien zaadkorrel voor-
—
niet het allerminste uitwerken. Dat komt nu verder vanzelf. w. z. dat zal een verborgen hand; dat zal een geheimzinnige kracht doen; dat zal er kiemen en komen, en groeien en aangrijpen, maar zoo, dat hij tot zijn diepe vernedering en kleinmaking, zelfs
valt
D.
niet weet hoe.
Eu
hij daar nu niet aan; en weigert hij nu stil te wachten; ongeduldig en onrustig wordt, en weer telkens wat anders wil en gedurig die aarde omwoelt och, dan is het eénig gevolg, dat hij pas uitgestooten vezeltjes af knakt, en zoo den wasdom tegenhoudt, zoo maar niet heel het spruitje bederft. Dat ziet men dan de ouders ook gedurig bij hun kinderen doen; de meesters bij hun scholieren; en erger nog soms de predikers bij hun gemeente. Ze geven het zaad nooit tijd om te kiemen, uit te loopen en te
dat
'
wil
hij
;
;
gedijen.
Ze zijn er altyd aan bezig. Ze denken altijd dat zij het doen moeten. Och, ze gelooven bij hun arbeid niet, want ze zien ze
zelf
uitrichten,
maar
zien het
werk
altijd
op wat
Grods in de harten, het
werk
Grods in de verborgenheden niet aan.
En dat is geen vroomheid, maar ongeloof ; waardoor de ijver van den Heiligen Geest tegen hen wordt opgewekt en hun eigen wasdom verhinderd. Zie toch, welbezien kunnen zij nauwelijks iets aan de wording van het leven of aan den groei van het leven toebrengen en moet eigenlijk alles komen van den Heere, die het levende zaad hun in handen geeft, die door den Heiligen Greest onder de oppervlakte van het hart dat zaad afpelt, loswikkelt en uit doet komen en het dan koestert door de Zonne der gerechtigheid en het bedauwt met den adem zijner Liefde; en het doet uitzetten en gedijen door de milde droppen van den regen zijns Greestes. En nu keert de mensch dat booslijk geheel om, en stelt zich aan, alsof hij er eigenlijk alles aan deed en God ;
;
de
Heere, een weinig
ja,
maar waar nauwlijks op
te
vertrouwen
is;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's