Honig uit den rotssteen - pagina 115
111 „Yergeef hun, Immers Jezus zegt uitdrukkelijk wmit ze weten niet wat ze doen ;" en in de bekende :
o,
mijn Yader,
gelijkenis zegt
„Die den wil zijns heeren niet geweten heeft en gedaan heeft dingen die slagen waardig zyn, die zal met weinige slagen geslagen worden." Niemand zegge derhalve: „Ik wist het niet, dus ben ik o«sc/m^(i^^/'' Dat is het luchthartig geprevel der ongoddelyke lieden, die niet letten op de paden des Heeren. Neen, al wie bij de Schrift leeft, weet beter. Zonde is en blijft zonde, en wel zonde met de haar inklevende schuld, ook al wist ge niet wat ge deedt. Jezus zeide immers niet: „Yader, zy zijn niet schuldig, want ze weten niet wat ze doen," maar sprak juist integendeel uit dat ze wel schuldig waren, doordien hij Gods vergevende genade voor hen inriep; alzoo aanduidend dat er een weg openbleef, om hun hun zonde en schuld te vergeven. En evenzoo zegt Jezus in de aangehaalde gelykenis niet: „Die den wil zijns heeren niet zal geweten hebben, mag niet geslagen worden," maar integendeel: „ook hij zal geslagen worden, edoch het aantal dier slagen, d. i. de zwaarte der straf, zal minder zijn." Een maatstaf, waar tevens uit blijkt, hoe geheel anders de graad van schuld tusschen zondaar en zondaar eens in Grods oordeel zal zijn, dan nu in den dunk des menschen. Naarmate ge beter wist, uw schuld te zwaarder, en die schuld te minder naar gelang donkerder de nacht was die uw wieg en uw pad omhulde. En dus voor u, die Grods Woord kent, de schuld het allergrootst. Als er ontdekkend licht viel de schuld nog grooter. En het ontzaglijkst alle schuld die valt in een kind des Heeren! Och, altijd het oordeel beginnende van het Huis onzes Grods! En denk dat nu door en merk dan eens op, welk licht hierdoor op de gruwelykheid van Adams zonde viel. hij
:
Immers,
zoo
met zoo klaar bewustzijn, met zoo opgehem nooit iemand gezondigd. na hem kwamen was er reeds vrij sterke hem het minst; bij hem nog bijna niet toen
nuchteren,
zetten wille als hy, heeft na Biy
allen
toch
die
bedwelming, maar bij hij viel, nog zoogoed als onmerkbaar.
Neemt nu de
grootte der schuld af naar gelang de bedwelming ontzettender wierd, dan klimt ze dus ook naarmate die bedwelming afneemt; en was ze derhalve ook het grootst bij dien eersten zondaar, die aan de zonde toegaf, eer nog de zonde hem had
der
zonde
kunnen bedwelmen. Alleen aan hem was dan ook de misdaad volkomen toerekenbaar, en is alzoo door die ééne misdaad de schuld over alle menschen gekomen. o. Die leer van de toerekenbaarheid van Adams schuld aan allen die na hem kwamen, gaat zoo diep, en wel verre van wreed te zyn,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's