Honig uit den rotssteen - pagina 249
245
„Maar
moord toch niet!" roept ge verontschuldigend uit. „Een is mijn hart toch nog niet geworden. lof! Neen! In dien banalen, bloedigen zin niet. No^j; niet!
ik
moordenaarskuil'' Grod
zij
niet te stout. Die sta, zie toe, dat hij niet valle! Maar ik neem het aan, neen, in strafrechtelij ken zin. Maar wat zal het zijn als Jezus' apostel aan het woord komt. Die heilige boetgezant, die u in naam van Jezus verklaren komt: !" „Wie zijn broeder haat, ook maar haat^ die is reeds een moordenaar
Spreek
Wie uw
heeft nooit gehaat? Groeit de plant van den wrevel ook niet hof? Is wangunst u een kruid der onbekendheid? „Niet zetten kunnen," is het van «^^g^wenschen, wegwenschen van verwenschen zoo verre? Spreek toch niet hoog voor uw Grod De Heere weet al deze o, dingen. Naakt en geopend is voor zijn al doorziend oog het verborgenst van het binnenste geheimenis. En als ge zoo uw hart voor den spiegel van de vurige wet Gods plaats, zeg zelf, mijn broeder, hebt ge dan nog veel oorzaak tot roemens en zelfverheffing? Als er eens terdege licht, klaar licht, licht uit God op de geheime paden van uw hart gaat schijnen, roept ge er de menschen dan wel zoo gaarne bij? Doet ge dat dan niet maar liever tusschen God en uw ziel af? En dat afdoen tusschen God en uw ziel, wat wil dat anders zeggen, dan dat het eigenlijk tusschen God en uw ziel zoo onuitsprekelijk schandelijk staat, dat schaamte u het oog doet neerslaan? o, In een moordenaarskuil geschiedt nog zooveel meer dan moorden. Daar is ook de roof. Ook de leugen. Ook de wreedheid, ook de
in
!
Ook de brutale hoovaardij. zonderling mysterie, in het roovershol hangt een onheilige schim van het vrome soms nog een crucifix op. Er zijn bandieten gezien, op de knieën vallend, als de God der eere zijn donder rollen liet door het woud. En dat nóg ijselijkere, kunt gij het van u stooten, zeggende: „Althans daarin heb ik geen deel!" Denk aan Zions tempel, toen Jezus er de koopers uitdreef! wellust.
Ja,
Wat
deden er die koopers?
ze kwamen om te offeren, ze kwamen om den schatpenning te betalen, ze kwamen om te aanbidden. Ze deden als die Joden uit ouder dagen, tegen wie Jeremia het woord slingerde, dat 4\ Het woord, dat de profeet op Jezus hier aanhaalt (Jerem. 7 „Des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn hunne zelfverzuchting
Maar immers,
:
:
deze!" hun tegenvoerde: „Zult ge stelen en overspel bedrijyen en rooken voor Baal, en dan komen en staan voor mijn aangezicht in dit huis dat naar mijn naam genoemd is, en zeggen: „Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen (vs. 9, 10)?" Het was hun te veel moeite om een duifje van huis meê te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's