Honig uit den rotssteen - pagina 91
87 stiet het hem tegen de borst. Steeds was het hem een verademing, als hij er aan ontkomen kon. En nu .... nu dan eindelijk de apostelen van het moderne leven het hebben uitgemaakt, dat bidden toch niets is dan een alleenspraak der ziel met zichzelf, natuurlijk, nu heeft hij aan die kindsche vormen een einde gemaakt en, sterke geest, es/jnY fort als hij is, bidt hij niet meer. d. w. z. negen tienden niet meer van onze beschaafde Hij niet mannen en jongelingen. o. Het is ontzettend, maar waar. Naar gelang de beschaving veld wint, sterft het bidden al meer uit. Maar wat haast nog erger is, langs den vromen weg slaagde men er in, ook de vromeren van zin aan het gebed te ontwennen. En
altijd
,
.
.
.
,
,
dat deed. niet het moderne leven, maar de moderne theologie. De moderne theologie, die maar aldoor riep, dat ons bidden menr Godewaardig moest worden; -dat de menschelijke vorm uit ons gebed verdwijnen moest om door den goddelijken vorm vervangen te worden en dat g^^w bidden maar onheilijj^lijk prevelen was, zooals de meeste vrome lieden maar alles vragen dorsten van hun God. o. Dat klonk zoo verleidelijk. Te verleidelijker naarmate er metterdaad bij zoo menigen schyn vrome en kerkvrome over gedachtelooze ontheiliging van het heiligste, niet zelden zelfs op den kansel, te treuren viel.
Met waar. God Almachtig, Hem, den levenden God, op goddelijke wijze in onze gebeden te naderen, dat eerst zou zalig, zou verrukkend voor het hart, zou verheerlijkend voor zyn majesteit wezen. En in ernst, om op goddelijke wijze te bidden, werd op dit roepen der moderne theologen, het streven in schier eiken vromen kring. Zoo meed men al meer in zijn bidden wat den nood van het aardsche leven raakte. Een voorbidding met het noemen van den naam der lijdenden werd hooglyk afgekeurd. Zelfs voor den koning te bidden raakte al meer in onbruik. Ja alle bidden, alle vragen om iets te hebben, ging te loor. Het werd al meer een zielsontboezeming, een stuk uit een rede in biddenden vorm. En op het laatst had het zoo weinig van bidden meer, dat de behoefte er aan uit het hart verdween en men zich in ernste afvroeg, waartoe het bijhouden van dien vorm toch diende. Want immers, het groot bestuur des heelals ging toch gelijk het ging zijn gang, of wij al bleven bidden of verstomden in ons gebed. Het roepen van een schepsel kon toch dat machtig raderwerk niet doen keeren in zyn loop. Of bad niet telkens de een juist om iets wat de andere smeekte dat mocht worden afgeweerd? Kortom, was er voor wie God vreesde in een dieper geloofsleven voor het bidden nog wel plaats? En zoo was ook hier het einde, evenals by den onvrome, dat het bidden al flauwer, al trager, al onbezielder werd, tot het ten leste
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's