Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 191

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 191

2 minuten leestijd

187

Maar dan ook na het berouw weer het roemen.

Want (jod de Heere gaat altijd door. En als ge dan daar neerligt met een ziel die het opgeeft en uitroept: „o, God, geef het met mij dan doet maar op. Ik durf het aangezicht niet meer opheffen!" Nu Grod altoos weer hetzelfde en stelt u weer voor zijn aangezicht.

voor

„vertroostend"

zijn

Christi uit in

uw

en

aangezicht,

zacht

vloeit

dan de

liefde

gemoed.

En zoo, God zij lof, zal het eeutvig blijven: „Gij stelt mij voor uw aangezicht eeuwiglijk.'" En daarom, wat er ook kome en wat er ook dreige, boven op,

God weg Hij

al

Jehovah

onder gaat het nooit, of het komt er zoo zeker weer is. En eens, daar boven, dan heeft het van willen bij onzen eigen wil voor eeuwig uit. En dan stelt er

God God

als

zijne

kinderen

in

het

eeuwig

heerlijk in zijn heiligen! o,

van zijn aanschijn. erbarmen het, heerlijk

genieten

Geve

zijn

ook in u en mij

LXXX. ^ict

gij ötni luorttï,

maar te

taortcï u-

niet tegen de takken; en indien daartegen roemt, niet gij draagt den worRom. 11 28. maar de wortel u.

Zoo roem gij tel,

:

„Niet gij den wortel, maar de wortel u!" vooral vlak na Pinken ter wederopwekking van wat op dat goddelijk hooggetijde door onze ziel ging, een indringend en lichtscheppend woord! Toen het Pinksteren was, wezen we op het „lichaam van Christus," dat ontvangen in het Paradijs en in Abrams roeping tot levensbeweging gekomen, ten leste uit Israëls moederschoot geboren was, den Vader in dat ontzaglijk oogenblik, toen de Heilige Geest, na door daarboven aan ons Hoofd te zijn gegeven, alsnu uit dat Hoofd, langs de „geal de aderen van het geestelijk weefsel, werd uitgestort in

steren

meente des levenden Gods." Een machtig feit, daarom vertroostend,

voor de ziel van Gods kinderen zoo overmits ze nu weten, dat de Heilige Geest nooit meer

gemeente uitgaat; dat die goddelijke levensadem nooit meer longen van het „lichaam Christi" wegzuigt; en dat dus, ook gestorven, al schijnt aan hand of voet een lid verkleumd, bevroren en de Trooster, uit dat lichaam der gemeente zelve de Heilige Geest, d. i. de Bezieler, de Levenwekker steeds weer, van binnen uit, zulk een lid, „bij het leven behoudt" en weer bybrengt. uit

uit

de de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880

Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 191

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880

Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's