Honig uit den rotssteen - pagina 242
238
Dat kan
niet anders.
De
wereld in haar diepste wezen haat den Christus omdat ze voelt, dat die Christus Grods haar dood is. Wel is het haar gelukt, om dien Christus aan het kruis te dooden. Maar dat hielp niet. Hij stond op. Hij voer naar den hemel. En nu
van
;
dien hemel bedreigt hy die wereld. Hij toeft, hij beidt, hy maar de wereld weet zeer goed, dat het toeven en beiden en wachten alleen maar op de schare der uitverkorenen is, en dat, zyn uit
wacht,
die eenmaal ingebracht in het Koninkrijk, dat dan niets den Christus meer zal tegenhouden; dat dan haar ure zal geslagen hebben; dat het dan uit met haar glorie is en dat zij zich dan den dood zal eten aan den Zoon van God. Dus moet het wel, dat ze met diepen wrok en bitterheid tegen dien Zoon van God bezield is; dat ze hem vreest, en daarom hem zoekt te drijven, of ze nog aan zyn uitgestrekten arm ontuit ;
komen kon.
De en nu
wereld is als een slang, die onder den Leeuw neergedrukt sist en gif spuwt en zich kronkelt.
ligt,
Ze moet er aan, maar ze wil niet. Dat is haar helsche worsteling tegen den Christus in. En hoe dikwijls ze het ook beproefd heeft, om, op haar manier, aan dien stryd tegen den Christus een einde te maken, het baat, het helpt haar niet. De Christus gunt haar geen rust, en uit haar eigen onheilige diepte welt altijd met nieuwe stroomen de oude bittere vijandschap weer op. En tussclien die slang en dien Leeuw zitten Gods kinderen nu in, en de slang belooft fiiet op hen te zullen spuwen, indien zij den
Leeuw maar
niet toevallen.
En
dat nu is de diepe ergernis en aller ergernissen grond. Christus zegt: De wereld is goddeloos. En kwam ze nu maar zóó goddeloos voor den dag, o, dan zou ze u niet omvoeren. Maar zie, ze
goddeloos uit. Althans niet als ze tot u, in uw huis, aan uw hart om uw gunst komt vragen. Dan is ze zelfs godsdienstig, teeder, beweeglijk vroom. En van den anderen kant, de Christus zegt: „Mijn verlosten zijn rein!" En nu komt de wereld, en kruipt in uw hart en lacht u uit, en fluistert daar zoo echt duivelsch van binnen: „Een fraai rein hart!" En met dat ze dat zegt, haalt ze één voor één ai de ellendigheden van uw innerlijk leven op, en laat den vuilen poel van ongerechtigheden opborrelen van uit de diepte. En dat benauwt dan. Want dan eindigt onze arme ziel met de slotsom, „dat die wereld toch eigenlijk zooveel beter en wij zooveel slechter zijn dan we dachten." En dan staan we geërgerd. In wezenlijken zin geërgerd aan ons hart. Geërgerd aan ons zelf. Geërgerd ziet er niet
de
poorte
van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's