Honig uit den rotssteen - pagina 148
144 kind Grods een neigen en drijven moet zijn, om wat men noemt maar „te werken en te loopen en te draven," alsof dat ooit zyn ziel verzadigen kon. Want, och, Jezus had niet geloopen en gedraafd, maar stil en rustig een kalm en ernstig gesprek gehouden met een persoon die hem op zijn weg ontmoette. Och, moet het dan waarlijk er nog bij gezegd, dat het werken waarvan Jezus hier spreekt, niet het buitengewone maar het zeer gewone werk is? Ons bezig zijn van allen dag. Mits het geloof er in dringe en het beziele. Zooals
loovig
Jezus
het
zoo
schoon
er bij voegt:
Doen op
zichzelf verzadigt niet,
alleen een doen van Gods wil. Werken op zichzelf prikkelt eer en put uit, en dan slechts kan de honger wijken, als uw werken een bezig zijn in het u van God opgelegde werk is, en indien ge dat
maar
werk dan ook volbrengt. Dus niet een willekeurig of eigenwillig of ten deele doen, maar met aflegging van alle keus en eigen wil, geheel en al doen en bewerken en «/"werken het werk dat God aan een iegelijk in zijn beroep, en aan een iegelijk in zijn huis, en aan een iegelijk in zijn hart en aan een iegelijk in de verborgen kamers van zijn gemoed, voor dien dag heeft bevolen. Green doodschheid, geen dorheid, geen er bij neerliggen! Want dat mat af, maakt machteloos en doet verkwijnen. Maar werken in het bewerkt worden en bewerkt worden in het werken., en dat zóó lang en zóó volhardend tot er iets uitkomt en het gedaan en ten einde is o, dat is volzalig en dat verslaat daarom den dorst en neemt daarom den honger weg, omdat wie zóó werkt, niets doet dan van oogenblik tot oogenblik iiit de hand van zijn God ontvangen. Die spreekt nooit uit zich zelf, maar luistert en vangt op om het zijn Grod na te spreken. Die verzint niets uit zich zelf, maar vergast zich maar aan wat hy zijn Grod in bestek zag brengen, om nu in dat gegeven en gemaakt bestek in te leven. Die verbruikt geen eigen kracht, maar gebruikt slechts zooveel hij noodig heeft van de kracht die Grod hem toevoert, en houdt aan het einde nog volle korven over. Bij dien is het een d. i. inwachten en afsmeeken, en voor wat altijd, aldoor bidden, kwam weer danken, om, alzoo biddend en dankend, wel steeds en aldoor te hongeren, maar slechts om terstond zoo overheerlijk verzadigd te worden, dat te mogen hongeren een genot wordt. En nu dat bestek voor uw levenstaak; die genadekrachten die het in u volbrengen moeten; die overvloeiende volheid, in wien anders liggen ze voor u opgetast dan in Jezus Christus? Of is in zijn goddelyk hart dan niet de oneindige en onmetelijke reservoir van alle wateren des levens voor alle dorstende ziel? En zoo ook, is in zijn hart vol ontferming dan niet de broodkamer, als we het zoo eens mogen uitdrukken, voor alle menschenkind dat
hongert ?
Welnu, zoo
is
het dan immers één gedachte, wat Jezus, van zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's