Honig uit den rotssteen - pagina 155
151 eenmaal Grods willen en bedoelen, om zyn liefde maar te doen uitgaan naar zyn schepsel. En wijl nu in ditzelfde wilsbesluit eveneens begrepen is, dat het verkoren schepsel zijn God weder zal minnen, zoo is de behoefte, om weder gemind te worden, en de dorst naar wederliefde, even onafscheidelijk van het Goddelijk Wezen geworden, als het besluit onveranderlijk is, om door de werking des Heiligen Geestes dezer wederliefde krachtdadiglijk in het schepsel te wekken. Schoon nu noemt de Schrift deze wederliefde „een inkomen, dat de Heere van ons ontvangt," of, om het letterlijk naar Jeremia's woord te nemen, ^^zijn inkomste,^'' een inkomste die haar eerstelinge, en haar vollen oogst, en haar nalezinge heeft, en die eerst dan volkomen in Gods heiligen tempel zal zijn ingedragen, als geheel de schare der verlosten eens eeuwiglijk voor den troon God minnen zal, zooals zij gemind is, d. i. met een liefde zonder feil of verkoeling. En daarom nu juist jubelt de Heere onze God met zoo heilige vreugde over „de eerstelinge zyner inkomste," en klaagt Hy met zoo schreiende klacht, als „die eerste liefde wordt verlaten." Bij de Schelfzee was dat jubelen daarboven beluisterd, toen die millioenen bij millioenen oogen van het geredde Israël, stralend van geluk en van dankbaarheid glinsterend, in teedere liefde opzagen naar dat heerlijk firmament daarboven, waar hun Verlosser zich schuil hield. Toen dronk de Heere wederliefde in. Toen was er voor Hem een inkomste. Een eerstelinge van den oogst!
^u
toch
is
het
niet in zichzelven te besluiten,
Maar de
oogst
zelf,
helaas! bleef uit. „Och zijn volk wou niet Naar zijn stemme hooren, Israël verliet
God en 't
zijn geboon Heeft zich andre goón zijn lust verkoren."
Naar
de danktoon weg, de liefde verkoelde, en 't eens gevolk bedroefde den Heiligen Geest weer, deed zyn God verdriet aan, en wierp met misdadige hand de kroon zijner eere weg in ijdelheid en zonde. Maar toen juist werkte die „inkomste der eerstelingen" bij dien God van ondoorgrondelijke barmhartigheden dan ook na. En nu komt de Heere door zijn profeet tot Israël, niet om hen aan zijn liefde voor Israël te herinneren, maar om hen hun eigen liefde indachtig te maken, die zij eens voor hun God hadden gevoeld. „Ga en roep voor de ooren van Jeruzalem uit, heette het toen tot Jeremia, zeggende: Zoo zegt de Heere: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaiden lande, toen Israël den Heere eene heiligheid was, de eerste-
Zoo
heiligd
stierf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's