Honig uit den rotssteen - pagina 150
146
Nog
woord van den psalmvertolker
steeds naar het keurig
„Wie 't zaad draagt dat hij zaaien zal, !" gaat weenend voort en zaait het al
Neen, wat genot
geeft, dal
„Want
hij
is
zal,
niet
't
zaaien,
zonder ramp
te
maar het maaien.
schromen,
eerlang met blijdschap wederkomen, en met gejuich te goeder uur zijn schoven dragen in de schuur!"
Immer, die maait gaat leeg uit en keert met volle handen weder. Die zaait verarmt. Wie maait wordt met eiken zwaai van den
arm o,
ryker. In het
slaan
van
den
sikkel,
niet in het bevruchten
van de
ligt glorie, ligt heerlijkheid!
grauwe aarde,
Want dat
is
dat
is
zaaien^ dat is aan de aarde toevertrouwen, dat is dus sterven, begraven. Maar maaien^ dat is op opstanding, dat is het leven, de weelde van den oogst!
Trooster onzer zielen ons dan ook maar tot maaien geroepen. Niet het „weenend voortgaan" van den zaaier, maar het „blij gejuich van den maaier" is door zyn teedere liefde ons toebeschoren. Hoor slechts: „Grij, zegt Jezus, waant wel dat ge nog maanden wachten moet, en dat er dan eerst voor u te oogsten zal vallen,
En
zie,
dat
wetend,
heeft
de
in de eerste plaats niet tot zaaien,
hoogmoed, aan uw geestelijke blindheid, omdat dan aan uw eigen werk en aan uw eigen zaaisel gelooft, en maar aldoor op dien nog zwarten akker tuurt. Maar nu, ik zeg u, legt die hoogheid af en „heft uw oogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten." Waar is uw sikkel, o, klein geloovige ? Wat toeft ge nog en mort en klaagt in u zelven! o. Zeer zeker hebt ge óók te zaaien, maar toch te maaien eerst; te maaien bovenal; te maaien met volle garven, al datgeen wat ik, eer gij er aan toekwaamt, of zelf óf door anderen, bearbeid en omgeploegd en bezaaid en bedauwd en nat gemaakt had en had doen rijpen door het mysterie mijner wondere genade. o, Dat ge toch maaien woudt, zegt de Heere, want maaien is zoo heerlyk. Immers „die maait, ontvangt loon en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich te zamen verblijden beide die zaait en die maait!" (vs. 36). Want daarin, daarin vooral, schuilt uw geestelijke mistred: gy waant altijd, dat gij niet maaien kunt of ge moet het zelf gezaaid hebben, en ik zeg u: „Een ander is het die zaait, en een ander is het die maait!" (vs. 37). En „ik heb u uitgezonden, niet in de eerste plaats om te zaaien,
maar ge
dit ligt
aan
aan
uw
niet anders
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's