Honig uit den rotssteen - pagina 190
186
„U stellen voor zijn aangezicht" dat deed Hij evenzoo in uw wedergeboorte, bij de instorting in uw ziel van het geloofsvermogen, toen gij van dood levend werdt. Want zie toch, al uw leven in de wereld en uw staan in den dood was immers niets anders, dan dat ge buiten zijn licht stondt en van hem uw Grod vervreemd waart. En uw levensontwaking in het geloof was immers juist dat uw komen voor Grods aangezicht, en het opeens zien bij het licht van dat aanschijn én van uw eeuwigen dood én van zijn peilloos diepe genade! Want dit weet ge zelf toch, niet gij gingt in dat aangezicht Grods staan, maar Hij was het, die er u voor stelde, o, Groddelijk moment dier eeuwige geboorte, toen de Ontfermer op u nederzag en gij niet meer weg kondt, maar nu gesteld waart en dus daar stondt voor zijn ontzaglijk en toch zoo vertroostend aangezicht! En zoo ging het immers door? Want zoo goddeloos bleeft gij
en bleef ik, ook na die wondere na kort genot ons al heel spoedig aanstelden, als hadden we van onzen Grod genoeg en als zei onze ziel tot zichzelve, dat men toch niet altijd op Grod kan blijven zien, dat er in zulk een eentonigheid toch geen leven was; en dat men ook weer eens naar het zichtbare toe moest. Natuurlijk met het idéé, om dan later weer naar Grod terug te keeren. Maar voorshands dan toch, om weder eens buiten Grod iets goeds te hebben. En dan liefst onder het afzwerven nog er bij zingende: „Maar 't is mij goed, myn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn Grod!"
ontfermingsdaad
Grodes,
dat
wij
waarlijk zulk een raadsel is ons menschenhart. Wie schrikt wel eens van zichzelf? Maar feitelijk kan Grods kind niet wat hij wil. Hij wou wel van zijn God wegloopen, om eens vrij te zijn, maar God laat het hem niet toe. En al zijn wegloopen gaat maar in den droom. Hij waant dan dat hij ... van God af is. Beeldt zich in dat hij nu vrij is. Droomt dat hij later weer naar zijn God zal terug gaan Maar in de werkelijkheid is het niets dan schijn. Hij kan niet. Want „God stelt hem voor zijn aangezicht eeuwiglijk,^^ en op zijn best heeft hij de lippen weer aan den beker der zonde gezet, of zie, als een verschrikkend licht wordt het om en als een vuur in hem. Wat dat is, die benauwing der consciëntie? Die droefheid over de ziel uitgegoten? Dat vreeselijk verschrikt zijn in de beenderen? Och, wat anders dan Gods aangezicht, waarvoor ge eeuwiglijk gesteld zyt. En daarom kan een kind van God niet zondigen, of terstond na de zonde komt schrikkelijke zielsverbrijzeling en zielroerend berouw! Ja,
niet
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's