Honig uit den rotssteen - pagina 183
179 den nacht komen de starren te voorschijn, maar hij het volle van den dag houden ze zich schuil. En zou dan Grod zich niet verborgen houden? Hij, die het inbegrip, de bron en sprinkader is van al wat rein is en welluidt en liefelijk genaamd en als edel geroemd wordt in hemel en op aarde? Zou Hij nog Grod kunnen zijn, indien het Hem mogelijk ware zich ganschelyk voor zyn schepsel te ontsluiten, en de parelen uit de diepte van zijn goddelijk hart voor de honden te grabbel te werpen? Zou een God, dien ieder doorzien kon, niet een G-od zijn, waar niets achter was? Een God zonder verborgen innerlijkenlevensgrond? Een God, in wien juist dat diepste en innerlijkste des wezens, wat Hem God doet zijn, ontbrak? Is God te leeren kennen, steeds meer en inniger en dieper en juister te leeren kennen, dan niet de eenige zalige arbeid, die hier en eeuwig aan zijn kinderen is voorgesteld? En wat zou het dan, als gij ooit kondt zeggen: „Nu ben ik met mijn kennisse vaji God klaar!" „Nu ken ik Hem geheel!" „Nu heb ik niet meer van God te leeren?" Zou dan niet tevens uw zaligheid uit zijn, en de bekoring des eeuwigen levens uit den hemel worden weggenomen? En gaat nu dat kennen aldoor, dan blijft er immers altijd nog een eeuwig verborgen diepte te kennen over? En indien dat niet zoo ware, indien gij ooit een eind in God kondt vinden, zou God dan niet ophouden oneindig, en dus God te zijn? Een God, die eens ophield verborgen te zijn, zou dat ooit uw volheerlyke en volzalige God kunnen wezen? Mijn broeder, zoudt ge als God ophield verborgen te zijn, niet zelf ophouden te aanbidden?
van
licht
dat er geen kennisse Gods is voor de ziel? parel niet op, al houdt zij zich verborgen onder de diepte der wateren? Is er dan geen gouddelving, al schuilt het goud in het ingewand der aarde weg? Kent ge dan niet allengs de ziel uwer vrouw, ook al houdt die ziel zich verborgen achter den
Wil dat daarom zeggen, Maar duikt men dan de
van het vleesch? zou het dan anders met God zyn? Of is het dan te veel, als Hij eischt, dat men ook naar Hem, om
sluier
En
Hem
te
vinden,
duiken zal in de diepte;
delven zal in den bodem
des aanzijns; tasten en zoeken zal om het in zijn worsteling te grijpen? Mag God dan niet willen, dat alle kennisse van zijn heerlijk Wezen in
het
zweet
der ziele zal verworven worden
;
een loon van arbeid
gewonnen met van Hem gewonnen kracht; door een wil, dien Hij spande; maar gewonnen met inspanning toch? Is eene andere kennisse van God wel mogelijk, wel denkbaar? Wie moet God dan kennen? Uw geheugen? Uw verstand? Uw des geestes zal zijn;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's