Honig uit den rotssteen - pagina 132
128
mocht afscliiften en de glans van het gelouterd erts mocht blinken en mocht schitteren tot Grods eer. En nu ik weet wel: dat geheel en ganschelijk afvallen van den aardklomp, die in het erts vermengd zit, komt eerst, als het sterven komt en er van al wat ongoddelijk is noch tak noch wortel zal gevuil
laten worden.
Dan
eerst, ziel
eerst
die
;
U
in die ure, zal voor
uw
en mijn ziel en een worden, dat opeens, plotseling, al dat aankleefsel loslaat en het gesmolten zilver in al zijn glans wordt uitgegoten in den vorm dien Grod ons heeft bereid. Maar is de arbeid des louterens, die nu reeds plaats grijpt, daarom licht te achten? Zoudt gij dan kind van God kunnen zijn en in het aan u kleven van dat onreine vrede kunnen hebben, tenzij ge wist dat er van oogenblik tot oogenblik aan gesmolten en aan vernield werd? Zoudt gij, met goddeloosheden omhangene die gij zyt, ook maar één oogenblik gemeenschap met het Lam Grods kunnen hebben, tenzij ge tegelijk er voert, dat hij dit onreine van u afschilferde, er van losweekte en uit wegsmolt? metterdaad voor wie doordenkt, een bekeerd maar nog niet Is, is ontbonden, een vrijgemaakt maar nog niet inwonend kind van Grod, ook maar denkbaar, zonder dat Jezus, die daar zit om te louteren, dien arbeid des louterens volvoert ook aan hém? En, let wel, volvoert, niet maar soms; niet maar een enkelen keer maar in een geregelden voortgang niet nu en dan Of als ge dat nog niet bij ervaring kent, ga dan naar de smeltovens van wie op aarde in goud en zilver werken, en zie het hun af, hoe dat bereiden van den oven, en dat aanbrengen van brandstof, en dat ontsteken van den gloed, en dat indragen van het erts, en dat al sterker verhitten van de hitte, altemaal saamhangt en bijeenhoort en één geheel vormt en niet te scheiden is En meet daar, daaraan dan, naar Schrifts aanduiding, de al doorgaande, saamhangcnde, nooit aflatende bearbeiding af, die Jezus te werk stelt aan u. louterende aldoor, ook als gij er nog niets van bespeurt, omdat het nog niet gloeit om u, en de hitte nog niet doordrong, en hij pas toe was aan het zetten van den oven, en het saamgaren van de brandstof, en het eerste ontsteken van wat bernen moet. Of is het zoo niet in ieder, ging het zoo niet ook in uw leven? Eerst tyden dat het welhaast scheen, of gij bastaarden waart, zoo weinig kast^ding werdt ge deelachtig; en als viel er sprake van een vrucht te schillen, zoo meendet ge de schil uwer nog zondige hebbelijkheden wel zelf en vanzelf te kunnen afleggen, als de slang haar huid afschudt; en dat ge al jubelend, en steeds heiliger u voelend, nu reeds denken gingt: „Ik ben er!" iegelijks
graad
van
gloeihitte
ziel
bereikt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's