Honig uit den rotssteen - pagina 207
203
LXXXVI.
6ö
3ijt
mij ttn
aP>iïcati,
een öaogtc bc^ KCiftanmi^^
Want zoo zegt de Heere tot het huis des konings van Juda: Gij zijt mij een Gilead, een hoogte des Libanons, maar zoo Ik u niet zette als een woestijn en als onbewoonde Jerem. 22 6. steden. :
Als de Heere onze Grod van zyn genadetroon op deze kleine wereld dan doet ze zich aan Hem, o, zoo heel anders voor, dan aan ons. Als wij een enkel maal van een hoogen toren of van een bergtop neerzien op de velden en wouden, de steden en vlekken, de beken en rivieren, die zich als een heerlijk panorama aan onzen voet verdringen, dan zien wy van de menschen bijna niets, dan zijn die menschen voor ons verkleind tot de afmetingen van vorschen of sprinkhanen, en verlustigt ons oog zich bijna uitsluitend in de pracht der natuur en de gelegenheid van bosschen en van stroomen. Maar heel anders is het voor den Heere onzen Grod Voor Hem tellen de boomen en valleien nauwelijks mee, maar ligt neerziet,
het schoon, al het heerlijke, het boeiende juist in die i^msc/iewM^eré^f?. In Spreuken 8:31 sprak of liever zong Messias reeds op de tonen des Heiligen Greestes: ,,Mijne vermakingen zyn met der menschen al
kinderen." Steeds wordt alle levende ziel ons in de Heilige Schrift voorgesteld als het oogmerk van de trouw des Almachtigen. En als in dien breeder kring der menschen, evenals door ons in de natuur, dan onderscheiden zal worden tusschen woeste, dorre streken, streken van gewone schoonheid, en enkele heerlijke plekjes van zeldzame pracht, dan spreekt ook de Heilige Schrift van het volk Grods als van een plantinge des Heeren, als van een „hof zijner verlustiging," „een wijngaard dien Hij geplant heeft" en gaat de Greest zelfs zóó ver van tot het eêlste onder het uitverkoren volk te zeggen: „Grij, huis van Juda's koningen, gij zijt mij een Grilead, een hoogte des Libanons, een cederenwoud voor mijn oog." ;
uit Grods Woord ons te hooren toefluisteren zoo ontzaglijk en heilig als onze Grod, die neerziet op deze kunstige wereld, die Hy zóó kunstig schiep, dat wij, ongevoelige menschen, ons soms niet kunnen inhouden, om uit te roepen: „Wat is die natuur toch heerlijk!" en die dan toch nauwelijks een oog voor die valleien van Gilead en die cederen van den Libanon heeft,
Heerlyk, niet waar? dat
Een
Grod,
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's