Honig uit den rotssteen - pagina 187
183 achter u in de herinnering. Gre kunt er niet meer bij en toch u. En wat nog het ergste is, ze worden met den dag grooter. Vraagt ge hoe dat kan? Hoe voor een man op jaren de zonden zijner „jonkheid" met den dag grooter kunnen worden? Och, het antwoord ligt zoo voor de hand en is zoo uiterst eenvoudig; t. w. dat er bij het heilig licht van Gods Greest u telkens weer iets als zonde uit uw jeugd ontdekt wordt, waar ge, toen gij het deedt, geen zonde in gezien hadt^ maar u nu wel terdege van bewust wordt, dat het tegen Grod inging, dat het den Geest uws Doops bedroefd heeft, en dat gij er verantwoordelijk voor staat. En laat mij er by voegen, dat zal, hoe verder ge komt, er niet beter op worden. Want als ik mij zoo voorstel, dat er nu in uw verleden nog een deel wit naast een deel vol zwarte stippen ligt, dan hebt ge er op te rekenen, dat dat zwarte al breeder en dat witte, blanke al liggen
jagen ze
kleiner Is
zal worden, aan was?
tot
„Zonden der jonkheid"
eindelijk
zijn zoo
de
waag opkomt:
of er
wel
iets
dubbel heilloos! Ze zijn het bersten
wat zoo gaaf en onschuldig scheen, en alzoo een indruppeling van gif in wat pas even groeit, en derhalve voor
van een booze
klier in
heel zijn volgende ontwikkeling schade en verderf aanbrengt. „Zonden der jonkheid" o, hoe beheerscht ge niet heel de vorming van iemands karakter, heel den toon van zijn leven, gansch het aanschijn van zijn toekomst. Ze vreten zoo diep in, want het jeugdig gemoed is nog zoo week en dubbel aandoenlijk, en ze stellen in satans dienst die ongebroken, jeugdige kracht en die hartstochtelijke geestdrift, waar het hart der jonkheid door ontgloeit. Wie zal al het ontzettende kwaad peilen, dat in die „zonden o, der jonkheid" ook „de verborgen zonden" der jonkheid verzonken ligt. Want weet wel, het wordt niet zoo spoedig bespeurd. Men denkt betere dingen van u. En uw jonkheid zelve is als een schild dat „den vermaner tot betere dingen" van u afhoudt, een vrijbrief om
ongestoord en ongehinderd in veel kwaads te volharden. En wat nog het ergst is, ze werken levenslang na. Zelfs als ge door Gods onuitsprekelijke erbarmingen verzoend en verlost zijt, loert de oude vyand nog altijd van binnen en borrelt de vuile fontein van ongerechtigheid, waar onze Belijdenis van spreekt, altijd weer op!
o. Waar zouden we ons toch bergen, indien we geen Heiland hadden, die over die zonden onzer jonkheid het floers zyner goddelijke ontfermingen dekte!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's