Honig uit den rotssteen - pagina 145
141 bedenkingen
liggen,
als
de
hemelen
hooger dan de aarde
zijn.
En
dat ge derhalve, op dien grond, met ontzag tot dat Woord naderende, uw eigen kleine geestje onmiddellijk in de gehoorzaamheid van dien
majestueusen goddelijken Greest gevangen zult geven, om te luisteren, en voorts stille te zijn, en te merken op wat uw Grod u zegt. Maar „beven voor G-ods Woord" beteekent nog meer. Beven op een geluid of een stem, die tot ons genaakt, doen we dan, als dit stemgeluid niet maar afstuit op ons trommelvlies, maar zich van dit vlies aan onze zenuwen meedeelt, en van daar uit naen voorttrilt door heel ons wezen, zoodat we zichtbaar over heel ons lichaam in beweging geraken en, als door een electrieken schok aangestooten, knikken op onze knieën. Welnu, zoo dan moet de uitwerking van Grods Woord op ons ook zijn. Niet maar afketsende op ons gehoorvlies, of afglijdende langs het netvlies onzer ziel, maar terstond, onverwijld, ijlings in- en doordringend in geheel ons wezen het geheele samenstel van ons geestelijk organisme aangrijpend zich meêdeelend aan elke plek in den omtrek onzer ziele; en alzoo geheel onzen persoon in trilling brengend. Niet uiterlijk als bij de Kwakers^ alsof we beven moesten met handen en lippen maar inwendig, zoodat het hart ons in den boezem trilt. En alzoo een beven van den geest in ons, „overmits het Woord van Grod levendig en krachtig is en scherpsnij dender dan een tweesnijdend zwaard, en doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs en is een oordeelaar der gedachten." En, zelfs daarmee is dat beven voor Grods Woord nog niet uitgeput. Want er zit ook die hooge, onuitsprekelijke Majesteit in, dat Gods Woord zóó geweldig is, dat het tegelijk altijd kracht uitoefent, iets tot stand brengt, en iets werkt. Zie, als de wind op een verdord blad speelt, dan zegt hij niet aan dat blad „Word nu opgenomen en leg u daar ginds neder," alsof nu dat blad dit bevel eerst kalm aanhoorde, en nu voorts in eigen kracht van de plaats waar het lag naar die plek verderop toe zou schuifelen neen, maar de wind zelf neemt dit blad op, duwt het voort en verder, en laat niet af, eer het op die andere plek neêrzijgt. En zóó, zóó nu ook moet Gods Woord voor ons zijn. Gelijk dat blad beeft voor den adem der winden, zoo ook moet onze ziel beven voor den adem des Geestes die van uit zijnen mond ;
;
;
:
;
uitgaat.
Dus
zóó, dat wij dat Woord kalm aanhooren, en er ons dan bezinnen, of we het nu alzoo doen zullen, om dan straks, om te gelegener tijd er aan te voldoen, met ónze kracht; uit ónze wijsheid naar óns goedvinden. Neen, maar in dien zin, dat als het Woord Gods aan komt rollen tegen onze ziel, geheel onze ziel onmiddellijk in beweging geraakt, door dat Woord zelf wordt opgenomen en zich, niet door eigen kracht,
eens
niet
op
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's