Honig uit den rotssteen - pagina 83
79
Yoor dien
afschuwelij ken stank van de eigen huid, die alles in omkeeren, nu die reuke, die geurt en opfrischt en hem de zenuwen sterkt. JSTu in plaats van de stramheid en de scheuren in voet en hals, dat zachte en lenig gewordene en teederlijk meegevende van huid en spieren: Ja, tot door de poriën van die huid dringt de prikkelende en bezielende kracht, die vorsche olie tot in de ledematen en de samenvoegselen,, en het is of tot op heen en merg de kracht doordringt, die van dit goddelijk vocht uitgaat. En zoo ja, zoo waarlijk en zoo werkelijk, vergaat het ook den geestelijk verstramde en stroef gewordene, wien de reuke des doods uit zijn eigen hart tot een hinder en een walging was geworden als het God dan weer eens belieft in zyn Ontfermer, uit zondaarsellende heerlijkheid voor den roem van zijn genade te scheppen, en als in het teederst mededoogen dan weer over het dorre van ons hart wordt uitgegoten die „versche olie" van zijn onbeschrijflijk welbehagen en het Iramanuël, God met ons, weer een feit wordt in de geschiedenis van ons inwendig leven. Dan kan het weer. Weer strijden. Want op dien strijd doelt ook de Psalmist. Weer strijden, om te overwinnen in Hem, die overwon, om ons de overwinning toe te bedeelen. Ja, dan wordt dat „overgoten zijn met versche olie," weer als een bij vernieuwing „gezalfd zijn," met een doel; voor een roeping; voor een heilige bestemming. En juist dat weten: er is weer strijdensmacht en voor dien strijd weer een hooger doel en voor dat doel een onderpand in den eenigen Borg, o, dat maakt zalig, dat doet weer met Gods kinderen jubelen, dat het „ik niets, Gij alles, Heere!" weer stamelen met al de tonen van een verzoend, een gezaligd, een in Christus oplevend hart.
hem
deed
XXXVII. (^rtii nta
fdjacnen ban utn boeten* Nader hier niet toe trek uw schoenen van voeten, want de plaats, waarop gij staat, ;
uw is
—
heilig land.
—
Exod.
3
:
5.
Er moet de Heere wil het zoo er moet een overgang plaats hebben tusschen ons verkeeren in de laagten der wereld en ons verwijlen op den berg van zijn heiligheid. Te zeggen, dat ons geloof ons geheele leven moet doordringen en uit dien hoofde zich verzetten tegen zulk een volkomen bewusten, ook voor anderen merkbaren en dus zeer wezenlijken overgang, loopt eenvoudig op overgeestelijkheid en daarmee op vernietiging van alle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's