Honig uit den rotssteen - pagina 228
224 Bij óns is die afschuwelijkheid. In ónze huizen. In ónze harten. In heel de manier, waarop we ons aanstellen en in wat we doen. o,
Dat
Vroom Want, lijk
zijt
is
het schriklijke!
maar ook het gevaarlijkste. het wezenlijk, en dan zyt ge zalig, óf we]^ wezenïiiet, en dan werkt juist die valschheid u in de
zijn is het hoogste,
óf ge
zijt
ge het leugen
in, en die leugen vergiftigt u, en Satan komt er en blaast in het vuur van uw bloed en uw begeeren. En daardoor komt dan het afschuwelijke^ dat diep afschuwelijke van een, die vroom zich voordoet en ook vroom wil wezen, maar niets dan doodsbeenderen in zijn ziel vindt. Och, zoek de huichelaars toch niet alleen bij de uitgestudeerde
geestelijke
hij
opzettelijke veinzers.
Tegen die geestelijke duivelskinderen trekt de Schrift bijna nooit omdat die toch niet luisteren. Neen, de geestelijke kranken, waar (rods Woord aan arbeidt, dat zijn de onware, innerlijk gedeelde kinderen Grods, die den vromen schijn vasthouden, niet meest om menschen te behagen, maar omdat ze weten: „door vroomheid alleen is er leven," en die toch, dat wetende, en dat belijdende, in de binnenkamer hun Grod niet hebben wonen, en Grolgotha nog altijd zoeken bij Jeruzalem, dat ver is.
op,
Yreeslyke toestanden, waar bitter onder geleden en geworsteld en soms nog bitterder onder geweend wordt, en waar men zich maar niet uit kan wringen. Een door de spin omwoelde vlieg! En in zoo'n toestand, dan, ja, is het nog een genade van den Vader aller barmhartigheden, als Hij ons in donkerheden brengt en gladde plaatsen onder onze voeten schuift. Grenade, ja, wel waarlijk, goddelijke genade, dat Grod het ons onmogelijk maakt om op die wijs ook maar één voetstap verder te zetten. Genade, als God niet luistert naar ons roepen en gillen, maar het zóó glad, én zóó donker, én zóó bang om ons heen maakt, dat we ons niet meer kunnen houden, maar uitglyden en struikelen en vallen. Want als we daar dan liggen, dan is het ook uit. Dan roept de ziel niet meer: „o God, laat mij nog maar zien, dat ik er overheen kan!" maar dan zucht en kermt ze: „o, Myn lieve T' God en Vader, om Jezus' wil, ik kan niet meer! o, Draag Gij mij En dan, als dat er maar uit wil, dan, ja komt er weer opleven, dan komt er weer gebed in het bidden, weer sap in de ziel, weer een nardusreuke om de uitgangen des harten, en de huichelaar is er
over verwonderd, dat, als hij nu weer bidt of looft of van zijn Heere spreekt, er iets wezenlijks in komt en er waarheid onder schuilt
zelf
en zijn consciëntie
hem
niet veroordeelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's