Honig uit den rotssteen - pagina 151
147
maar uitgezonden om te maaien, hetgeen gy gij zijt tot hun arbeid ingegaan!" (vs. 38).
niet bearbeid hebt,
en
Heerlijk, prachtig woord van mijn Heiland! Mijn werk is dus niet een geïsoleerd, op zich zelf staand werk, maar hangt saam met anderer werk. Hangt saam met al het werk van de lange eeuwen die achter mij liggen, en met wat in die eeuwen door genade voor toen gewrocht en voor nu voorbereid is. Hangt saam ook met al het werk dat anderen naast en om mij heen verrichten, op den breeden akker, op de ruime velden, in de lieflijke weiden van den éénigen Herder. Ja, en hangt saam bovenal met wat op den achtergrond des levens, in de stilte en in het verborgene, bij het ruischen der zachte koelte, zoo wonderlijk gewrocht werd en wordt door mijn Heiland zelf, die in elk hart bezig is, en aan elke ziel eiken dag iets doet, en op alles let, en ze bij name kent en ze roept „vanwege de grootheid zijner kracht en omdat hij sterk is van vermogen." En zie, tot al dat goddelijke werk, tot al dat werk der eeuwen, tot al dat werk der kinderen Gods treed ik nu toe, neen waarlijk niet om er een hoofddeel, maar om er een onbeduidend iets aan toe En de hoofdzaak waarom de Heere er ons naar uitzendt, te voegen is niet dat wij er veel aan toe zouden brengen, maar dat we nu reeds ons de ziel ophalen, het hart verkwikken zouden aan de heerlijke aanschouwing van zijn wonderwerk, van de witte velden, van den o,
!
rijken oogst
En dan zouden wy door onzen hoogmoed dat alles willen bederven en omkeeren. En ons oog boos laten zyn, omdat het van ons zaaisel niet kwam; en omdat ons donker oog de witte velden voor zwarte grauwe aarde aanziet; en omdat ons zelfzuchtig hart te onkinderlyk is, om ons kinderlijk in dat spelen met den sikkel te vermeiden. die we toch zijn God ons eens inderdaad menschenharten, waar niets aan gedaan was te bewerken gaf; menschenharten waar niets dan zonde en boosheid, ongetemperd en ruw uit opstoof! Wat zouden we
Ondankbaren o,
Als
^
ellendig zijn
En nu God
de Heere in zijn ontferming dat niet doet, maar ons onze kinderen en in onze gemeenten, zooveel vrucht van bewarende, soms ook van zaligmakende genade heeft doen rypen, nu wil ons
bij
onheilig
hart
liever
moiTen dan jubelen,
liever
weenen dan juichen!
Dan zijn we de martelaars! Dan beklagen we ons zelven om beklaagd te worden. Dan heet het op rotsen ploegen Dan wordt men moedeloos en geeft het op
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's