Honig uit den rotssteen - pagina 84
80 aanbidding en heid
lof
allen
Die zulk een eisoh en,
en allen dienst van den Heere der heerlijk-
uit.
nu reeds door
stelt,
wil nu reeds,
itjbeelding
wat
eerst daar
boven kan,
zich toegeëigend, ons niet opheft naar
hooger, maar doet zinken tot lager. De aard zelf van ons leven, als kinderen Gods en toch nog op een wereld die tegen onzen Vader in verzet is, in verzet is buiten ons, om ons, maar ook wel terdege nog in ons eigen vleesch en in onze eigen zielsbewegingen, die aard zelf eischt het nu eenmaal, dat het onderscheid, het krasse, sterke, scherpe onderscheid tusschen het lagere terrein van het leven dezer wereld en het hoogere terrein van Jezus' Koninkrijk, erkend worde, en dat men derhalve, om de woorden uit Ezechiëls Grodsspraak te bezigen, wel terdege een open oog houde voor het zeer wezenlijk verschil tusschen het heilige en onheilige. moeten zeer zeker bidden zonder ophouden; onze wandel o, moet ongetwyfeld in de hemelen zijn; elke gedachte, die ons door de hersenen vliegt en die niet uit God komt om tot Hem te keeren, maar, helaas! het moeten we verstikken, nog eer ze geboren is, feit, de realiteit van het leven, is nu eenmaal, dat we telkens weer gedurig weer omzwerven in de aan dat aldoor bidden ontzinken
We
—
;
laagte der ongeheiligde gedachten; en vaak in een zondig beeld inleven, eer de strijd
van ons hart
er tegen
nog begon.
in dien Godsman elk menschengebod ontving, om, eer we uit dat ongeheiligde weer in het heilige terrein overgaan, ons „de schoenen te ontbinden van onze voeten." Meer dan iets is het schoeisel, dat we ons om de voetzool binden, teeken en bewijs, dat wij niet meer bij deze aarde hooren en die aarde niet meer bij ons hoort. Onze voet is aangelegd op een Paradijs, waar niets dien schrijnen, maar hij is ongeschikt voor niets dien wonden, niets hem deren kan een aarde, die doornen en distelen voortbrengt en die scherpe steenkanten uit haar bodem doet uitsteken.
Dat was
hart,
het
het,
waarom Mozes, en
hoogheilig
;
beveiligen we ons tegen die aarde, door ons het schoeisel binden, en let men dat schoeisel in het Oosten dan weer af, als men het gladde parket of den zachten vloer van de gekunstelde woning betreden had. Vandaar het verachtelyke, aan dit schoeisel verbonden, en de lage stand van den slaaf, die met het ontbinden van den schoenriem belast was, en, lager nog, van dien anderen slaaf, die den alsnu vrijgeworden voet weer van stof en bezoedeling zou wasschen. En hierin nu ligt niet maar het heeld^ maar het uitgangspunt van de rechte beschouwing van onzen geestelyken toestand. Die gewasschen is, zegt Jezus, heeft niet van noode, dan dat hem de voeten gewasschen worden, maar is geheel rein.
Daarom
aan
te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's