Honig uit den rotssteen - pagina 73
69
Willen naar
nu
buiten,
die
dan
van de ééne als van de andere soort, hun weg door het hoofd d. w. z. dan moeten
geesten, zoo leidt
opgenomen in ons bewustzijn, in onze rede, in ons denken. En dan worden ze in die wereld onzer gedachten aangekleed. D. i. dan ontvangen ze een herkenbaar gelaat, een gangbaren naam, een onderscheiden vorm, en treden op het veld onzer verbeelding, om nu, met andere gedachten en overleggingen gepaard, vruchtbaar te worden in rijp beraad, en alleen aan den wil voorgesteld, door dien wil tot zijn kinderen aangenomen, nu over te worden gezet in wilsbesluiten, en alzoo door de wilskracht en de gelegenheden des levens over te gaan in de daad en tot feiten te worden in het werkelijk leven. Zoo is het met de overleggingen der boosheid, en zoo ook is het verloop van de gedachten des vredes voor onzen Grod. Maar, wat nu de wereld telkens leugen heet, en waar ons hart niet aan wil, en wat ons bewustzyn telkens wegcijfert, is dat die overze
leggingen zijn en blijven een geheimzinnig, een verborgen, een inwendig spreken voor en tot den alomtegenwoordigen, den alles beluisterenden den alles doorzoekenden en doorgrondenden God Of de overlegging van het hart reeds door de poorte van het bewustzijn gleed of nog daarachter bleef, doet er niet toe. Het doet er ook niet toe, of ze reeds in den wil drong of nog in de overlegging bleef hangen. Die overlegging op zich zelf, ook in haar eerste ontkiemen, in haar primitief op waken, zoodra ze slechts op den bodem van het gemoedsleven in beweging geraakt, is een innerlijk, verborgen maar niettemin onloochenbaar feit, waarvoor het hart verantwoordelijk blijft, en zulke opwellingen dragen, wijl ze aan Grod bekend zijn, ook by heur eerste ritselen, altijd het karakter van een spreken tot Hém. ,
Daarbinnen
zijn
we
nooit alleen.
met ons. Dat is onze consciëntie. Een gedurige sprake Grods, dat Hij óók weet wat wij weten, hoort wat we daarbinnen tot ons zelven spreken en ons overleggen in de kameren van ons hart beluistert. En daarom nu zegt de Bpreukendichter Als er overleggingen in het hart opkomen, dan raken die allereerst Jehovah. Dan is Hij het, die er het eerst kennis van neemt. Die ze beoordeelt eer eenig mensch Grod, driemaal heilig, is daar altijd
:
ze beoordeelen kan. En die, naar gelang ze uit Satan of uit den hooge toekwamen, ze verfoeit of ze zegent. Zoo is het uitademen van uw hart als een gedurig reukwerk voor zgn aangezicht! En is nu wat opstijgt Hem een reuke der verfoeiing, dan legt Jehovah er den ban en den vloek op. Of ook, is wat van dat altaar opklimt een Hem wel aangename geur der ziel, dan heeft uw Grod er een welgevallen aan en spreekt Hij er zijn zegen toe. „Een gruwel van Jehovah," heet het daarom in de Schrift, „een
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's