Honig uit den rotssteen - pagina 16
12
Ook
wat
Jezus
van
„onbeschaamden"
dien
vriend
zegt,
nope
daartoe.
Immers, onze Heiland leert ons hier niets anders, dan, als aandrang voor de verhooring onzer bede, niet meest te steunen op onze vriendschap met den Yader, maar te pleiten op de eer van Gods naam. Er was een vreemde bij dien onbeschaamden vrager ingekeerd. Om voor dien nachtelijken reiziger brood te vragen, klopte hij aan. Weigerde de in zijn slaap gestoorde buurman dat brood te geven, dan schond hij de heilige wet der gastvrijheid en stond bij dien vreemde, en door dien vreemde allicht in verre landen, als norsch en jegens vreemden hardvochtig te boek. Dat mocht niet; dat leed zijn naam niet; daar kwam zijn eer tegen op; en daarom, nu zijn vriend het aandurfde om hem wakker te kloppen, durfde hij het niet aan om diens bede af te slaan, en gaf hy hem „om de eer zijns naams," het gevraagde brood. Er staat dan ook volstrekt niet dat deze „onbeschaamde" vriend op ruwen, ongepasten toon, half dwingend en gebiedend vroeg. Eer ontvangt men den indruk, dat hij in verontschuldigenden trant zeer vriendelyk den buurman gedrongen heeft. Het „onbeschaamde" lag niet in wat hij vroeg, maar daarin dat hy vragen dorst en afging op de berekening: Klop ik aan dan kan hij toch niet weigeren, al was het slechts om de eer van zijn goeden naam. En toont dan niet heel de Schrift dat alzoo ook het bidden van Gods kinderen moet zijn? Yan 's Heeren wege de verklaring: „Ik doe het niet om uwentwil, o, Israël, maar om mijnen heiligen naam, dien gij ontheiligd hebt." En als Israël dat nu gelooft, en den moed grijpt om daarop af te gaan, zeg zelf, schynt het dan niet „onbeschaamd'' te zijn, als Israël op dien naam, die^i het zelf ontheiligd, Durft pleiten als Mozes, „opdat o, heeft^ toch nog pleiten durft Heere, de vijand uw naam niet lastere!" durft aanhouden als Daniël, „omdat zijn naam goedertieren is;" ja, met al de heiligen Gods in Oud en Nieuw Yerbond eerst de huivering voelt opwellen „Heere, ga van my uit, want ik ben een zondig mensch!" maar dan toch tot den troon der genade doordringt met het roepen: „o God, wees !" mij zondaar genadig om uwen heiligen naam De fout ligt hieraan, dat ge niet doorziet, hoe eigenlyk al uw bidden, zoolang ge op u zelf ziet, één doorloopende onbeschaamdheid is. Men streelt er zijn ziel nog meê, dat men met zijn bidden al een bijster godvruchtige daad doet; vindt zich vroom wijl men veel bidt; ziet in dat bidden zelf een steunsel voor verhooring, en doolt nog om op Eomes „netelheide," waar men het bidden verdienstelijk keurt. Zie, dit nu slaat Jezus u volkomen uit de hand. Yerdienstelyk? godvruchtig? vroom? ai, mij, mijn broeder, eer schaamteloos is het, dat we onze ellendigheid zóó ondiep, onze onheiligheid zóó oppervlakkig opvatten, en het met onzen stand voor den '^
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's