Honig uit den rotssteen - pagina 36
32
Vandaar dat niet de Sadduceën, maar de Farizeën „geldgierig" door Jezus worden genoemd. Vandaar dat geldgierigheid de schrikkelijke zonde is waartegen de apostelen telkens waarschuwen, waar Jezus van gezegd had, dat wie voor Mammon kroop voor Grod niet kon knielen, en die uitdrukkelijk als beletsel wordt aangegeven voor het bekleeden van het kerkelijk ambt. Ja, vandaar eindelijk dat geldgierigheid naar luid der Schrift een wortel is van alle kwaad en behoort tot die ergerlijke zonden, die den bedrijver er van uitsluiten van 't Koninkrijk van Grod. Och, de ervaring van Jezus' Kerk toonde maar al te zeer hoe noodig zoo ernstig woord was. Of is er een klacht zelfs in haar beste dagen op weemoediger en snijdender toon telkens door de boetpredikers, ook hier te lande, in Jezus' Kerk herhaald, dan die klacht over de onmogelijkheid om afstand te doen van het aardsche goed! Is er iets dat doodender en meer ontzenuwend op de vrome kringen gewerkt heeft, dan dat meer steunen op het geld in de kas dan op
Gods zegen in den hoogen hemel! En is er nu nog iets waardoor de kringen der belijders van Jezus, van Gods heilig oordeel, meer zichtbaar verarmen^ o, bittere ironie dan juist door dat niet af kunnen van zijn geld en dat kleven met de ziel aan wat men als slyk in zyn lied verachten dorst? Natuurlijk, tweeërlei soort van vromen mengden we, dit zeggend, de vromen die het willen weten dat ze het zijn en de dooreen vromen die God het gemaakt heeft. Nu, van de eerste kan niets snijdender gezegd en is niets meer innerlijk waar dan wat de apostel schreef, dat ze als een hond zyn die tot zijn uitbraaksel weerkeert; als een gewasschene zeuge zyn die zich weer omwentelt in haar slyk. Maar voor de echte kinderen des Koninkrijks zij er, tot hun vermaning en hun vertroosting, bijgevoegd, dat ze wel meest allen ook den prikkel van die zonde zich in de aderen voelen drijven; dat er niet één hunner is, die van nature niet voor haar bezwijkt; en dat ;
weinigen zelfs een tijdlang haar tot in het tweede stadium naloopen; maar ook, dat er bij God een genade is om ook die bekoring te breken; dat die genade ook in onze dagen soms volheerlijk werkt; en dat als er weer een gierige vrome is die los van zyn geld wordt gemaakt. God de Heere in zijn erbarming miskend wordt, indien die eertijds gierige vrome dan hangen blijft bij de barmhartigheid die hij doet, in plaats van te jubelen over de barmhartigheid niet
die
aan hem geschied
is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's