Honig uit den rotssteen - pagina 245
241
zandwegen rydend, in alles letterlijk op rozen tredend, aan het minzaam lachen gewend wierden en nauwelijks weten, dat er een fontein van tranen verborgen ligt in het menschelijk oog. Terwijl anderen, geheel omgekeerd, uit allen bitteren beker te drinken krijgen; door grief na grief gevlijmd worden; en beurtelings met elk der plagen, die de Heere onze God in zijn toornende hand houdt, of
zelf,
Waarom
of erger nog, in
hun
die drij venden
lieven,
worden bezocht.
vaak onmeêdoogende, en dus kwetsende minzaamheid, op die „roodgekretenen van ziel," op die „ten bloede toe worstelenden," van hun kalme hoogte neer? Zou daar geen zonde in steken? Ja, bij God, zonde steken in dat schynbaar ademen van een hoogeren vrede. Maar van een vrede, die liefdeloos is, omdat hij niet weet van erbarmen. Maar dan ook omgekeerd, minacht de worstelaar in het Godsrijk niet maar al te vaak dien stil voortwandelenden pelgrim? Zelf lijdt, zelf strijdt, zelf beidt men. o. Het hart keert in den boezem om, en avond aan avond wordt de overstelpte ziel uitgegoten. Maar die andere! wat zou diens geloof? Ja, is dat geloof? Als men het zóó gemaklijk heeft! Maar immers dat moet zelfbedrog, dat kan niet anders dan ingebeeld wezen? Spreek gij, oppervlakkige van ziel die ge zijt, over geloof toch niet meê. Als ge mijn weg eens geloopen hadt! Dan ja, dan zoudt ge er over meê kunnen praten. Maar nu, wie denkt bij dat opgepleisterde, bij dat geverniste, bij dat doodsche „stil-leven" aan een wezenlijke ontrukking aan Satan van een menschenziel door onzen Heer? Zoo wordt men dan ook op zijn beurt liefdeloos; gaat zelf ooro.
zien
met verwijtende,
„in zeer stille wateren" zoo
wijl
van Gode alle oordeel over te laten en, wat het hoog van harte! Zóó hoog dat men op zijn kruis en moeite roemen gaat, en aldus afdoolt van het pad der genade o, Onze Heer heeft het wel voorzegd! De arbeiders, die vroeg waren gehuurd en de hitte des daags hadden te verduren, zijn zoo licht in gevaar, van niet te kunnen velen, dat de later aangekomenen dok éénen penning krijgen hun oog is zoo licht boos, omdat Jezus goed is; en zóó vanzelf schier sluipt hun de gedachte in de ziel, dat zoo veel zielelijden en zóó lange worsteling hun aanspraak geeft op deelen, in plaats
ergste
is
.
.
;
.
.
.
.
;
iets
meer, op
En
iets
byzonders!
dan ook geen twijfel, of in den eeuwigen morgen ontvangt wie meerder droeg ook meerder kroon; mits in dat meerdere dragen een meerdere genade is verheerlijkt en de ziel verre bleef van verheffing. Anders heeft ze haar loon weg. En dat nu juist is het schreiende, dat menig bange worstelaar zich door Satans influisteren verleiden laat tot een roemen in zijn smarten, en er daardoor alle er
is
vrucht van verbeurt. 16
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's