Honig uit den rotssteen - pagina 179
175 hemel, ligt dus het pit der zaak, waarop we te letten hebten. Alleen door den achtergrond van dat „eerst neerdalen," valt op dat „weer opvaren" het juiste licht.
dien
En
vraagt
ge wat daar dan in steekt?
wat dat dan zegt? welke
diepere gedachte daar dan achterschuilt Zie, in den stroom is er zoo menigeen den drenkeling nagesprongen, die er wel in neerdalen, maar er niet weer uit op kon komen, en jammerlijk met het voorwerp zijns medelijdens, als slachtoffer om-
kwam en wegzonk. En zoo was het, ook bij onzen om tot ons af te dalen in den
Middelaar, een gansch ander iets, stroom onzer ongerechtigheden en onze ellende, om ons aan te grijpen en zich aan ons vast te klemmen, en een gansch ander iets, de mogendheid waardoor hij uit dien stroom van ellende weer naar boven wist te komen, met zijn verlosten in de armen, met zijn bruid in zyn hart gedragen, met zyn gekochten aan zich vast. Het neerdalen was een betoon van UefdesoYervloed, maar het weêropkomen naar boven was betoon van een overvloeiende kracht. Om van den Troon der heerlykheid af te dalen naar beneden, en in te gaan in eene vrouweschoot en een arme mensch op deze armelyke wereld te worden, en zich op die wereld nog als de verachtste aller menschen te laten belasteren, en onder dien laster eindelijk den bittersten dood te sterven, zie daar is ontferming, daar is erbarming voor noodig, daar schittert de reddingshartstocht in, dat is zondaarsliefde, dat is zelfverloochening, dat is de triomf van de goddelijke drijving der uitnemendste genade. Maar heel anders is het bij het opvaren. In den stroom het byna verdrinkend kind naspringen, dat kan elk die liefde, deernis, zelfverloochening en ontferming bezit; ook de knaap, ook de kreupele man, ook de moeder! Maar wie, wie brengt het kind er uit? Immers hy alleen, die er zélf weer uit op ka?i komen! En dat weer op kunnen komen, helaas, dat hangt niet aan liefde, niet aan ontferming, maar alleen aan kracht^ aan macJit^ aan mogendheid^ aan een geweldig beheerschen met de forsch uitgeslagen armen van stroom en wind en vloeden. En nu die twee liefde soveivloed en overvloeiende krachf^ waar vondt ge ze ooit saam? Staan ze op aarde niet veeleer schier altoos tegen elkaar over? De óverkrachtige, is hij niet bijna immer aan liefde en deernis arm? En die liefheeft, och, is het niet meest, of alles zich tegen hem keert; of alle kracht hem ontzinkt; of ondergaan zijn aandoenlijk
—
:
noodlot
is!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's