Honig uit den rotssteen - pagina 26
22 Ze zien het aan die goede geesten, hoe de „vrome Christenen" op deze aarde bij een ruw onooglijk kruis nederknielen en met de hand aan dat hout der schande, voor elkander en voor de wereld, telkens weer den juichtoon herhalen: „dat ze pelgrims zijn naar hooger en naar beter vaderland in dit ongedoopte leven niet thuis hooren en eiken morgen en eiken avond om troost en heul naar hun Heiland opzien 0})zien van deze troostelooze aarde, waar alles dor en mat van droogte brandt, waar niemand laafnis kan krijgen." ;
;
;
Ze zien, worden om
weten het, die dienende geesten, uitgezonden als ze dergenen wil die de zaligheid beërven zullen, dat die geloofstaal in niets overspannen of overdreven, maar slechts de flauwe uitdrukking is van de volle heerlijke werkelykheid, die het hun gege v^en is in te zien, als ze de dorheid van die aarde, waarheen ze worden nitgezou'len, verirelijken met de bloeiende schatten van den hemel, waar hun woonstede is. Ze zien, ze weten het bovendien, zoo dikwijls weer een onzer dit aardsche leven wordt uitgedragen, dat nooit iemand iets van al zyn goed en schat bij zich behield; dat alles, tot het kleinste toe, moest achtergelaten; en dat in de korte jaren dat de slovende schraper ze
vermaken kon, dat vluchtig bezit nog, o, zoo angstig, betwist en gestoord werd; al waren er ook geen dieven die doorgroeven en stalen, dan door een mot die verteren kwam; zij het ook in den vorm van een averechtsche berekening, die, waar ze zich in zijn schat
zoo telkens
te
winnen dacht,
En
verloor.
het dan te sterk om van een belaching, van een dwaasheid in der engelen oog te spreken, als ze het dan desniettemin moeten aanzien, hoe die vrome pelgrims, by al hun jubelen over een beter Vaderland, bij hun wetenschap dat de reis opkort en bij de zekerheid dat geen enkele zilverling van hier meegaat, toch in hooger en in lager kringen op aanwinst van geld en goed blijven azen, jagen naar steeds meerder bezit en aan de bekoring van het goed der aarde zich maar niet kunnen ontworstelen is
—
o, Er ligt zoo ontzettende „Maakt u toch buidelen die
ironie in dat machtige
woord van Jezus
afneemt hemelen!" Jezus spaart u nooit. Onder menschen, ook onder Christenvrienden, ook in het geschrift dat de pers verlaat, is het gangbaar en gewoonte, dat men elkankers mildheid roemt, de weldadigheid der vrienden verheft en den lof niet verouden, een schat die niet
in de
zingt der vorstelijke gevers. Maar Jezus heeft u voor die Hij,
sterker vleiend
uw
lafiPe
vleitaal te
lief.
Heere, weet met wat banden harder dan dan metaal ge aan dit zichtbare gebonden
woord
En daarom
die
ijzer ligt,
banden nogmaals vaster spant. uw Jezus omgekeerd; hij vleit u
doet
en koorden en hoe elk
niet,
maar
be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's