Honig uit den rotssteen - pagina 35
31
van
zijn leven nog niets bespeurt, en die slechts van oogenblik tot oogenblik door steeds vernieuwde genade en aldoor nieuwe bewerking des Greestes, dat „los van de aarde" en „bedenkende wat boven is" tot een waarheid kan maken voor zijn hart. Op zich zelf blijft dus in zijn hart diezelfde zondige trek naar schittering, naar grootschheid en glans bestaan alleen maar hij neemt een andere richting. Het geld uit te geven wordt hem door zijn vroomheid verboden, maar het „op te sparen", gelijk het misleidend hart het dan schijnheilig noemt, o, neen, dat niet. Hij mag het niet besteden; dat zou wereldsch zijn; maar wel het opleggen; want dat leidt vergelijkenderwijs nog tot de deugd der ;
zuinigheid.
En zoo wordt het zyn vroomheid, dat hy niet verkwist, opspaart, niet meer roekeloos is, maar bewaart wat hij heeft. Dat
is
maar
het eerste stadium der zonde.
Wordt men daarvan
niet bekeerd, niet door genade er van af gebracht en er tot vijand aan gemaakt, dan slaat dit kwaad allengs over in wat de Schrift „philargurie," d. i. geldgieiigheid noemt, en begint men met zijn hart gebonden te raken aan het geld als geld^ gaat er zijn god in zien en pleegt afgoderij. En wordt ook dat niet door hooger inwerking, door een ergerlijk bankroet, of door een slag in zijn financiën gestuit, dan ontaardt einde lyk die eerst schijnbaar zoo onschuldige trek van het hart in een boozen demon, die dat heilige geld aan Grod durft weigeren als de Heere er om vraagt, aan menschen durft weigeren als hun nood om hulpe schreit, en ten laatste elk middel geoorloofd acht, waardoor dat geld maar kan groeien. En komt het daartoe, o dan is het onheilig zaad in de aarde ontkiemd, dan schiet het uit en gaat zijn onheilige vruchten dragen, en alle gebod en alle deugd wordt dan ten offer gebracht aan den slavendienst en de afschuwelijke afgoderij van den god genaamd
Mammon. Zoo ziet men, hoe geleidelijk, hoe vanzelf uit de vroomheid de geldgierigheid ontwikkeld wOrdt; hoe juist de vromen veel meer dan de kinderen der wereld aan de verleiding der gierigheid bloot staan en wat bijzondere genade er toe hoort om gebroken te hebben met de wereld en dan toch geen overspelige betrekking aan te knoopen
met zijn geld. Vandaar dat de profeten
in Israël bijna tegen geen zonde zoo kras, zoo niets sparend, zoo volhardend hadden op te komen, als tegen de gierigheid; dat Grod de Heere, wel wetend wat er in het hart van zijn volk omging, geen wetten zóó heeft uitgewerkt, als de wetten der barmhartigheid, dej- olïeranden en der mededeelzaamheid, altegader vaderlijke behoedmiddelen om Israël tegen den gelddemon te beschermen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's