Honig uit den rotssteen - pagina 199
195 alles op bijpaden en tot een gaan op den koninklijken weg ontbreekt u telkens de kracht. Mat, onbezield is het Christelijk leven. Het is alsof het Grod den Heere niet belieft, mannen van kracht te verwekken. Schaduwachtig wordt heel het Christelijk erf. Een geest zoo al niet van diepen slaap, dan van slaap en sluimering toch schijnt over de belijders van Jezus uitgegoten. Er is overal getwist. Van trouw tot in den dood komt ge schier niets te merken. Er is geen vasthouden meer aan de fondamenten. Gemelijk ziet men het aan, dat alles wordt losge wrikt. En op de bange vraag, die in uw eigen ziel slaat, hoe dan toch tot zekerheid, hoe dan toch tot vastheid, hoe dan toch tot het inzicht van den eenig goeden en beproefden weg te komen, slaakt de broederkring om u heen eer een kreet van vertwijfeling, dan dat men u het vaste pad, dat op God en zijn vrede uitloopt, wijzen zou.
loopt
En
daar al onder zucht en daar tegen in mort, het baat u weet wel, de wereld, waarin Jezus' gemeente leeft en waar ze zelve uit komt en voor wat de personen aangaat nog toe behoort, is te onrein, te zondig, te machteloos, om de sneeuw, die blank als witte wol op haar nedervalt, langer dan één oogenblik in haar onbesmette witheid te laten schitteren. Gods waarheid is wel vast en zeker en onbevlekt. Maar ons leven en ons hart en ons bewustzijn is te gescheurd en gespleten en geschilferd, om het afschijnsel van die waarheid in onze eigen zielssfeer anders dan gebroken en dus onvast te doen zijn. "Wat Rome leert en belooft, zou, als het kon, wel heerlijk wezen: een kerk die absolute zekerheid over elk ding kon geven. Maar het kan niet, omdat de zonde zoo schrikkelijk is, en het aan zondaren niet gegund is, anders dan in het leven van het geloof de eeuwige zekerheden te grijpen. En wat nu is het levert van het geloof? Wat anders, dan die enkele volzalige oogenblikken, als het geloofsvermogen eens in volle krachtsspanning komt en het God den Heere belieft, met volle klaarheid te schijnen in de donkerheid van ons hart. Zoo is de toestand nu eenmaal, en zoo zal hij blijven ten einde toe. Die worsteling kan niet van ons weggenomen worden. En tot op onzen dood toe zullen we uit geloof in ongeloof vallen, om uit ongeloof weer tot geloof te woeden opgeheven. En ondertusschen zal de gemeente ontbloot staan. En zal de twisting der broederen u de ziel verscheuren. En zult ge smachten naar eenheid, en zie, ze is er niet. En dorsten naar volmaakte zuiverheid in de belijdenis der waarheid, en zie, er zijn rimpels en vlekken. En uw ziel zal er moede onder worden, als ge ziet, hoe anderen zelfs den last van die worstelingen niet tellen, en al meerderen „om frisch te zijn," gelijk het dan heet, de waarheden Gods voor menschelijke phrasen uitruilen, niet.
of
ge
Want
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's