Honig uit den rotssteen - pagina 39
35 hart; ja, als Hij u zijn Heiligen Geest zei ven weer toezendt om a te houden in 't pad en u te troosten over de vermoeienis uwer ziel! Zoo kost ge Hem duur! Nu nog. Nog eiken avond en eiken morgen Ge ligt geheel voor zyn rekening. Hij moet voor alles zorgen, en er u nog bij ophouden en steunen bovendien Want och, trok Hg even zijn hand weg, dan kwaamt ge om in uw eigen giftig broeisel !
!
en wierdt tot één levenden jammer! En voor dat alles, en in plaats van dat alles krijgt Hij van u niets, Het is hard voor 't vleesch, 't is hard om het te hooren, maar o, er kan niets van af en er gaat niets van af: van u krijgt Hij niets. Of ge dan niet bidt en looft en goede werken doet? Waarom niet? Gij zult dat het best van uzelven weten, maar dit zeggen we u op gezag van het Woord: „Ge hebt nooit gebeden, dat het bidden heeten mocht, of Hij moest er u eerst toe verwekken! Ge hebt nooit geroemd, dat het een roem tot zijn lof was, of Hij bekwaamde er u toe! En ook ge hebt nooit eenig goed werk gedaan, of Hij was het die eerst in u moest aanbrengen èn het vollen èn het werken, naar zijn welbehagen!" Zeg dan, o, mensch, wat hebt ge dat ge niet ontvangen hebt? En wat is er dan met recht tegen onze krasse uitspraak in te V^ brengen: „Gij van Hem alles; Hij van u niets Hoor het Job reeds in de dagen van ouds betuigen: „Zal ook een man aan God profijtelijk zijn? Of is het voor den Almachtige nuttigheid als gij rechtvaardig zijt? Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem of wat ontvangt Hij uit uw hand?^^ (Job 22 2, 3 en 35 7). Hoor het den apostel u in de ziel snijden: „Wie heeft Hem eerst gegeven, dat u zou wedervergolden worden?" (Éom. 11 35). Of, hoor beter nog, uw Heiland zelf het u in de ziel fluisteren: „Ook als ge alles gedaan hebt wat u geboden was, nog niets dan onnutte dienstknechten Ja, hoort het, 'al gij kinderen Gods, die nog niet ganschelijk verloochend zijt, maar hoort het, èn weest wys! :
:
:
T
XVII. O^nmDgcïijïi
fiij
üc menfcöcn!
Heere, wie kan dan zalig worden ? De dindie onmogelijk zijn bij de menschen, mogelijk bij God Luk. 18 27.
gen, zijn
Er mocht ook onder ons wei eens een man Gods lan,
die in hart en consciëntie zijn roerende klacht
:
als
Jeremia op-
kon
uitstorten:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's