Honig uit den rotssteen - pagina 200
196 en het getal der getrouwe vasthoud ers aan Grods heilig Woord al inkrimpt, en er u telkens weer een tegenvalt, op wien ge bergen zoudt gebouwd hebben, en ge met den dag meer ook in azeiven tekort schiet, en zoo vanzelf eindelyk tot de bange gedachte komt: ,Is er dan niemand meer die God vreest? Is dan alle kennisseweg? er dan niets meer dan wateren van Pharpar en vlieten dan ganschelyk niel meer de stille beekjes der Jordaan?
Zijn
Want dat is het allerbeklemmendst nog, indien dat gevoel van verlatenheid dan het kruis nog zwaarder komt drukken. Dat eenzame Dat gaan twyfelen of er nog wel iemand is! Dat soms uitroepen: „o, Myn Grod, o, mijn Vader, is dan al dit volk goddeloos en durf ik
dan nog staande blijven!" ook die zielsangst mag
niet verdoofd. Eer moet ook die bittere ingedronken. Want „allen mensch laten varen, wiens adem in zijp neusgaten is," en aan zichzelf volkomen gaan wanhopen, om langs die innerlijke verlating eindelijk alles in Grod te vinden, komt juist door die ontvalling van het liefste op aarde het snelst en diepst
En
teug
ons in de
ziel.
ge dat aan, dan zijt ge er ook op hetzelfde oogenblik dan komt God de Heere u in zijn Woord op hetzelfde oogenblik weer troosten, en dat ledig voor u bevolken en uw eenzaamheid aanvullen. Door u vooreerst te zeggen, dat het alle eeuwen door juist evenzoo was, en dat Hij, uw God, er zijn kerk toch heeft doorgeholpen. Maar ook ten anderen door u te verzekeren, door het u te betuigen, door het u vastelyk te doen gelooven, dat ge niet alleen zijt, maar dat de door God gekenden, ook al kent gy ze niet, er toch zijn; ook in uwe omgeving zyn; voor u bidden en geestelijk, op ongeziene wyze, met u leven. Dan is het ook bij ons, als in Israëls dagen, dat alles afgeoogst en leeggeplukt en nagelezen schijnt, en dat ge zoudt zeggen: „De olyfboom is ganschelijk ledig." En dat dan toch, niet aan den kant die naar de aarde is toegekeerd, maar hoog in den top, waar God op neerziet, aan een dun fijn twijgje, dat geen menschenoog meer bespeurd had, en dat, bij de zware stengels en dikke takken vergeleken, niets was, toch nog enkele olijfbeziën innerlyk van olie en
Maar
durft
Want
uit.
zie,
van vettigheid zwellen. Jesaia
van
zegt
het
zoo heerlijk:
Nog
twee, drie bezien
aan den
top
het opperste der twijg!
En Gods
lieve zon beschijnt ze en zijn heilig oog laat niet van ze af! was het toen. Zoo is het nog in onze dagen.
Ja, Godlof, zoo
Verborgen, ook in
zijn
zaligmakend werken,
is
onze wondere Heer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's