Honig uit den rotssteen - pagina 32
28 Uitzondering op de massa zijn ze. Ze tellen op den grooten lioop nauwelijks meê. Och, ze staan elk in hun kring en in hun omgeving schier als één tegen allen en allen tegen één!" De wereld, de menschen, het groote publiek, of met wat anderen naam men de groote menigte pleegt aan te duiden, neen, die zoeken de diepten Gods niet en bekreunen zich niet om de breuke der dochter Sions. Integendeel, die staan tegen den Heere en zijn Grezalfde over. Die roepen ook nu nog altijd „Laat ons hun banden verscheuren en laat ons hun koorden van ons werpen!" Die klappen in de handen als er weer een aanslag op de eere van den Christus gelukt is, en mompelen half spottend als een enkele maal een manlijk woord over Christus en zijn Woord gesproken, eens een oogenblik indruk maakt. Ja, waarlijk, zoo afgaande op wat men om zich bespeurt, komt men tot de bitter droeve, diep smartelijke erkentenis, dat de kinderen van ons geslacht, dat die duizenden en millioenen, met wie we als een volk saatnleven, als een regel den Christus, den heerlijken Zoon van Grod, dien Redder der barmhartigheid, niet omhelzen, maar van zich stooten, en dat wij, met ons geloof, met ons belijden, met ons liefhebben van dien Eenige, och, zoo eenzaam en verlaten staan, zoo En o, dan als vergeten eenlingen ons onder de massa verliezen fluistert het booze hart zoo licht: Zou zulk een zonderling, zulk een verouderd, zulk een ongewoon en by zonder mensch te zijn, zou dat nu het ware wezen? In ernst, banger verzoeking dan die van ons klein getal is er :
!
byna
niet.
Vooral niet, nadat men, in duidelijke tegenspraak met Jezus' woord, ons altijd aanpreekte, dat we „een groote schare" mochten zijn. Een verzoeking, bang vooral voor dusgenaamde beschaafden en ontwikkelden en voor een iegelijk, die aan de valsche zelfverheerlijking in deze menschelijke eerekransen nog niet gestorven is. Bang wel in de hoogste mate voor de mannen, die God tot studie van zijn Woord en de geleerde beoefening van zijn heilige wetenschap, d. i. van de leere Christi in woord en leven, riep, en die voor dat valsch gefluister wel moeten bezwijken zoolang zij 't „wijs in de oogen der menschen" met Paulus, den dienstknecht des Heeren, nog niet verstaan als „dwaasheid voor onzen God!" Welnu, ook op dien hangen strijd van zijn verlosten is de ontfermende God bedacht geweest. Hij weet het ook wel, dat ons hart aan sympathie, ons belijden aan den steun van anderer woord, ons gelooven in den Zoon zijner liefde aan anderer meegelooven behoefte heeft, en zie, ook dien nood van uw hart wil Hy, de Fontein aller goeden, u vervullen! Immers, daartoe schonk Hij ons „zoo groot een wolk van getuigen rondom ons liggende," dat een enkele blik op die groote schare, die niemand tellen kan, op die onafzienbare heldengroep, op die eeuw in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's