Honig uit den rotssteen - pagina 218
214 en blaat naar den herder, maar zie, hij antwoordt naar de weide, maar zie, het is al zand en rots om hem heen Maar wat erger nog is, een afgedoold schaap is volstrekt hulpeloos. Steeds gewoon te volgen, weet het van den weg niet af. Het weet van geen pad. Het merkt geen pad het gist Het loopt in den wilde om en rond, zonder te verzelfs geen pad. moeden waar het heen moet. En eindelyk valt het, moêgeloopen, moêgezworven, tegen een rotskant neer en blaat en schreeuwt en gilt maar. o. Wat zou het in zulk een oogenblik niet doen, al was het maar voor een beet van den herdershond. De herder, de herder .... die alleen kan het terugbrengen. Zóó sterft het; zóó komt het om; zóó verkwijnt het! Grun leven, o herder, en zoek uw afgedoold, uw verloren schaap weer op ze
zitjn
niet;
en
er niet; tast
!
;
Gre ziet dan wel, dat er een kind Grods en volstrekt niet een onbekeerde, door den Psalmist met dat „verloren schaap" bedoeld wordt. Wat ge ook daaruit nog te over merkt, dat hij niet over een ander bezig is, maar over zich zelf. „Ik, ik zelf," zegt hij, „ik ben dat verloren schaap. Ik, die Grods wet liefheb, die in Gro'ls geboden al mgn vermaking heb, ik, die gezongen heb „ITw liefdedienst heeft ik heb den mij nog nooit verdroten;" ik heb de kudde versmaad herder uit het oog verloren en daar lig ik nu, afgezworven en moe:
;
;
gedoold als een verlorene neder; met nog maar één wapen om het verderf af te keeren, doordien ik nog roepen kan: „Gun leven aan mijn ziel!", doordat ik nog belijden kan: „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat onbedacht zijn herder had verloren," en doordien ik tegen hel en duivel en tegen het doodend verwyt van myn eigen hart in, met geloofstaal nog roemen blijf: „Want ik volhard naar uw gehoon te hooren!" En tot dat uitspreken van zijn eigen schande kwam de Psalmist uit zich zelf niet. Daar dreef hem de Heilige Geest toe. Natuurlijk ook en allereerst opdat hij zelf weer gezocht, gevonden en gered en in de weide van Gods verborgenheden en bij de kudde van Gods lievelingen en onder het oog van den goeden Herder zou worden teruggebracht. Maar toch óók nog met een ander doel. Al wat te voren geschreven is, zegt de Apostel, is om uwentwil geschreven, opdat gij door lijdzaamheid en vertroosting der Schrift hope zoudt hebben. En zoo dreef de Heilige Geest den Psalmist er toe, om dezen zielstoestand van het verloren schaap aldus uit te zingen in zijn lied, opdat er niet alleen voor hem, maar voor al Gods afgedoolde kinderen, licht op dien verdoolden en verlorenen toestand van hun ziel zou vallen, opdat ze, dit slot van den zang des Psalmisten lezend, aan zich zelf zouden ontdekt worden; leeren inzien, hoe het eigenlijk met hun ziele er aan toe is; en, na nu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's