Honig uit den rotssteen - pagina 153
149 Jeruzalems muren weer worden geheeld, en nogmaals de zonde en het oordeel nogmaals komende is, werpt de oude Ezra zich ter aarde neder en betuigt het bitterlijk weenende, voor Grod en alle schepsel: „o Heere! G^od van Israël, Grij zijt rechtvaardig, en wij liggen voor uw aangezicht in onze schuld." Maar zelfs dit is nog niet genoeg, en aan den vollen, gestrengen, en in niets te verkorten, eisch van Grods heilige eere, zal dan eerst voldaan zijn, als ook de goddelooste aller goddeloozen in zijn diepste verworpenheid, belijden en erkennen zal, dat naar Paulus' uitdrukking, „ook zijn verdoemenis rechtvaardig is." Dit kan, dit mag niet anders. Zelfs een vermoeden van ongerechtigheid zou het onuitblusschelijk vuur tot eene krenking van Grods Majesteit doen worden. in
uitbreekt
Zedelijk
moet
God overwinnen
bij
elk schepsel, hetzij
dan
in zijn
wederoprichting, hetzij dan in zijn wegzinking voor eeuwig. Maar juist daarom moest dan ook het oordeel niet aan den Vader verblijven, maar worden overgegeven aan den Zoon, en moest die Zoon, om in zijn oordeelen Grods rechtvaardigheid te bevestigen, als onzer een worden, en alzoo het gerichte houden, niet als 's Vaders maar als 's menschen Zoon. „Wie is het die verdoemt?" vraagt Paulus. En zijn antwoordt luidt: „Christus is het, die voor ons gestorven is!" en Jezus zelf verklaart uitdrukkelijk, dat de Vader
„daarom zijnen Zoon macht gegeven menschen is."
heeft, overmits hij
ook de Zoon
des
Hierin steekt tweeërlei oorzaak. Vooreerst toch moet het schepsel nooit kunnen zeggen, dat het, door de hoogheid, door de onbeschrijflijke Majesteit, en door de oneindige Mogendheid Grods verblind, verbrijzeld en verpletterd is. Dat eindelijk zelfs de tegenredenen ons ontbreken, is zooals het moet. Maar dit „ontbreken van de tegenredenen" moet altijd gegrond zijn in de overtuiging van des zondaars schuld, en mag nooit veroorzaakt zijn, doordien het hem aan moed zou falen om tegen zoo hoog een Grod een woord voort te brengen. Dit niet in te zien, maakt Jobs pleit tegen Elifaz voor zoo velen onverstaanbaar. Dat Job zelfe tegen God in dorst spreken, sproot juist uit liefde voor Gods eere voort. God te willen sparen, is niets dan een belachlijke hoogheid van 's menschen hart, die Gods eere niet verhoogt maar verkleint. Het schepsel moet op 't stuk van recht alles tegen zijn rechter durven zeggen. Met eerbiedenis ja, maar zeggen dan toch. Hij moet niets achterhouden en dus nooit van achteren, na het oordeel zeggen kunnen: „Als ik dit, of dat nog had durven uitspreken, ware mijn doem al licht vrijspraak geworden."
En daarom nu hij
zelf de
onder
de
geeft God ons zulk een rechter, tegen wien, omdat „verachtste onder de menschen" werd, zelfs de verachtste
menschenkinderen
alles
zeggen kan en durft.
Een vriend
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's