Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Geerhardus Vos, wegbereider voor het neocalvinisme in Amerika, II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
Print this document

Geerhardus Vos, wegbereider voor het neocalvinisme in Amerika, II

34 minuten leestijd

Introductie van Kuyper and Bavinck in de Verenigde Staten

Op termijn bleek dat Vos' keuze voor de Theologische School te Grand Rapids geen afscheid betekende van de Vrije Universiteit. Sterker nog, hij verleende in de Verenigde Staten belangrijke diensten aan haar streven het calvinisme ook op academisch gebied te doen herleven.

Om Vos' betekenis ter zake te schetsen is het van belang kort in te gaan op enkele Amerikaanse toestanden. Ten tijde van Vos' terugkeer in de Verenigde Staten, in de zomer van 1888, woedde er een debat over de herziening van de zeventiende-eeuwse Westminster confessie, 'unrivalled in American presbyterian history' , 33 Vele protestantse kerken over de gehele wereld hadden in de loop van de negentiende eeuw hun veelal eeuwenoude belijdenisgeschriften aangepast aan de eisen van de tijd. Ook in de Verenigde Staten en met name in presbyteriaanse kringen waren velen voorstander van zo'n herziening. De grote pleitbezorger van revisie was Charles Briggs (1841-1913), hoogleraar Hebreeuws aan Union Theological Seminary in New York. Hij bepleitte revisie in naam van de theologische ontwikeling en in verzet tegen wat hij in 1889 omschreef als 'orthodoxism', het stellen van de traditie boven de waarheid. 34 Nauw verbonden met dit revisie-pleidooi was Briggs' afwijzing van de onfeilbaarheid van de bijbel. Zijn belangrijkste opponent in deze strijd was de jonge B.B. Warfield (1851-1921), sinds 1887 hoogleraar dogmatiek aan Princeton Theological Semina-

Dr. G. Harinck is wetenschappelijk medewerker aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit Amsterdam en directeur van het Archief-en Documentatiecentrum van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. (Adres: De Boelelaan 1105, kamer lb-34, 1081 HV Amsterdam).

ry. Warfield verdedigde de Westminster confessie als 'the best, safest and most acceptable statements of the truths ever formulated' en was alleen voorstander van een revisie die zou leiden tot 'even clearer and more precise definition' 35 van de aloude waarheid. Warfield verdedigde tegenover Briggs ook het concept van de onfeilbaarheid van de bijbel, een hoeksteen van de 'Princeton theology'.

Briggs and Warfield redigeerden samen The Presbyterian Review. Maar hun onenigheid verstoorde de samenwerking en voerde in oktober 1889 tot de opheffing van dit periodiek. Warfield richtte onmiddellijk een nieuw orgaan op, met de naam Presbyterian and Reformed Review (PRR). Dit blad werd het toonaangevende orgaan van de calvinistische theologie in Amerika en Warfield verzamelde op bekwame wijze argumenten en internationale steun tegen bijbelkritiek, herziening van de belijdenis en modernisme in het algemeen. Het eerste nummer van de PRR verscheen in januari 1890.

Op dit punt trad de jonge Vos de Amerikaanse kerkgeschiedenis binnen. Zonder reserve koos hij de zijde van Warfield en het nieuwe tijdschrift. Hij was naar de Verenigde Staten teruggekeerd met het voornemen in de uitoefening van zijn academische taak aansluiting te zoeken bij Kuypers theologie. Zijn collegedictaten geven daar blijk van en verraden Kuypers invloed, tot in zinswendingen toe. 36 Hij wist dat hij hiermee te Grand Rapids nieuwe wegen insloeg en dat deze vernieuwingen tot spanningen konden leiden in de Christian Reformed Church. Maar hij had ook ervaren hoe in Nederland afgescheidenen zoals zijn oom Henricus Beuker op den duur een deel van hun bezwaren tegen Kuyper hadden laten varen. Zijn introductie van het kuyperiaanse gedachtengoed werd bovendien geraggesteund door de aanhoudende instroom van veelal met Kuyper sympathiserende immigranten in de Christian Reformed Church en de in deze kring wijdverbreide lectuur van Kuypers werken en zijn weekblad De Heraut. Een krachtig argument voor vernieuwing was bovendien de gebrekkige kwaliteit van het onderwijs tot dusverre. Eén van Vos' studenten, J. van der Mey, beschreef jaren later in een brief aan Kuyper welke verandering Vos in Grand Rapids had bewerkt:

Al onze predikanten die in dit land hunne opleiding ontvingen omhelzen uwe beginselen. Dit had twee oorzaken. Vooreerst was de opleiding onder prof. Boer en [G.K.] Hemkes alleszins arm. Predikant geworden gevoelde men het gebrek aan degelijke ken-

nis en in de gemeente gekomen trachtte men dit weer te vergoeden door zelve de hand aan de ploeg te slaan. En wat trok dan meer aan dan de werken van dr. Kuyper?

Zij die onder dr. Vos hunne opleiding ontvingen gingen op uwe zijde staan, geheel uit kracht van de degelijke kweeking bij hem (dr. Vos) genoten. Dr. Vos leidde ons tot dr. Kuyper. Bij hem ontving ook ik mijne kweeking en dus ben ik eveneens een bewonderaar van dr. Kuyper. 37

Vos stak zijn symapthie voor Kuyper dus niet onder stoelen of banken. Hij liet niet na hem ook bij Warfield te introduceren. In een brief aan de hoogleraar te Princeton van oktober 1889 omschreef hij Kuyper als degene die 'has done more than anybody else for the revival of the old orthodoxism and the old orthodox theology in Holland, and unites in a wonderful manner the practical gifts of the leader of a religious movement with a well-trained systematic mind.' 38

De introductie van Kuyper te Princeton door diens voornaamste wetenschappelijke bentgenoot in de Verenigde Staten had verstrekkende gevolgen. Warfield begreep onmiddellijk dat Kuyper een bruikbare medestander kon zijn in zijn strijd voor het calvinisme. In zijn antwoord aan Vos schreef hij: zou Kuyper niet gevraagd kunnen worden met een artikel bij te dragen aan de Reviewl Vos was er op gespitst de herleefde Nederlandse gereformeerde theologie, die voor hem persoonlijk van grote betekenis was geweest, ook aan het Amerikaanse publiek bekend te maken, en hij greep deze gelegenheid met beide handen aan. In 1886 was het Kuyper geweest die de hulp van Vos inriep, nu was het Vos die Kuyper om bijstand vroeg. Hij vroeg hem een artikel voor de PRR te schrijven over actuele Nederlandse theologische ontwikkelingen of publicaties. Vos bood aan het artikel zelf te vertalen. 39 Tegelijkertijd benaderde hij ook Bavinck en vroeg hem nieuwe theologische uitgaven toe te zenden, die in aanmerking kwamen voor een bespreking in de PRR. De Nederlandse theologen werden in stelling gebracht ten bate van het calvinisme in Amerika.

Kuyper was bereid een bijdrage te leveren, maar niet over de actuele theologische situatie in Nederland, omdat hij dan óf kiesheidshalve zou moeten zwijgen over de herleving van de orthodoxie, óf uitgebreid over zichzelf zou moeten handelen. Vos suggereerde hierop aan Warfield om Bavinck uit te nodigen over Kuypers onderwerp te schrijven en om Kuyper te vragen voor een onderwerp naar

eigen keuze. Warfield ging daarmee akkoord en Vos zond diens uitnodigingen door naar Nederland, voorzien van begeleidende brieven van zijn eigen hand. 40 Vos stelde Kuyper voor te schrijven over de kwestie van de belijdenisrevisie, een onderwerp waarvan Vos wist dat Kuyper het vroeger al eens had behandeld. 41 Uit Vos' brieven aan Kuyper bleek hoe levend zijn besef was veel aan de Vrije Universiteit en haar hoogleraren verschuldigd te zijn. Het moet Vos een vreugde zijn geweest, dat zijn bemiddeling ten behoeve van de Nederlandse gereformeerde theologie en het Amerikaanse presbyterianisme resultaat opleverde. Zowel Kuyper als Bavinck aanvaardde de uitnodiging een bijdrage te leveren voor Warfields periodiek. Kuypers artikel over het door Vos gesuggereerde onderwerp werd door Vos vertaald en gepubliceerd in het nummer van juli 1891 onder de titel 'Calvinism and confessional revision'. Het artikel was eigenlijk te lang voor de Review, maar Warfield had na Vos' aandrang besloten de Review eenmalig met zestien extra pagina's te laten verschijnen. 42 Later dat jaar vertaalde Vos nog een ander artikel van Kuyper over de herziening van de Westminster confessie. 43 Vos vertaalde ook Bavincks artikel, dat in 1892 in de Review werd gepubliceerd onder de titel 'Recent dogmatic thought in the Netherlands'

Vos' initiatieven maakten wel duidelijk hoezeer hij bezorgd was over de toestand van het calvinisme in de Verenigde Staten, en hoezeer hij betrokken was gebleven bij het werk van zijn Nederlandse vrienden en geestverwanten. Bavinck en Kuyper hadden Vos' vertrek naar Amerika terecht niet opgevat als een definitief afscheid van hun kring. Hij bleef hun verwante collega, op een verre post weliswaar, maar niet buiten bereik. Hij zou wellicht nog terugkeren naar Nederland, of omgekeerd zouden Kuyper en Bavinck kunnen overkomen naar de nieuwe wereld. 44

Wat Vos betreft: hij had zich in 1888 gevestigd in Grand Rapids, maar daar kwam hij na enkele jaren tot de slotsom, dat hij er niet zijn hele leven zou moeten slijten. Verscheidene malen werd hij gepolst voor een benoeming elders, zowel vanuit Kampen als vanuit presbyteriaanse seminaries in de Verenigde Staten. Maar zoals Vos in 1886 had getalmd inzake zijn benoeming te Grand Rapids, zo aarzelde hij nu over deze aanbiedingen. Hij voelde zich aangetrokken tot de Amerikaanse levenswijze, zo liet hij Bavinck in 1891 delen in zijn problemen, maar theologisch voelde hij zich nog steeds het meeste thuis bij de Christelijke Gereformeerde Kerk. 45 Omdat het onmoge-

lijk was het beste uit beide werelden te verenigen, moest hij leren leven met zijn ambivalentie.

De weg naar Princeton

Vos keerde niet terug naar Nederland, om te doceren in Amsterdam of Kampen, maar hij bleef ook niet te Grand Rapids. Er diende zich een mogelijkheid aan die voor Vos de gulden middenweg was: het prestigieuze Princeton Theological Seminary deed een beroep op hem. In januari 1891 hield Briggs bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap bijbelse theologie - een nieuwe leeropdracht aan Union Theological Seminary te New York - een geruchtmakende inaugurele rede over 'The authority of Holy Scripture'. Veel van wat hij in deze rede verkondigde, had hij reeds eerder gezegd, maar door de polemische toon van een getergde Briggs - 'the situation exacted of the speaker that his rhetoric should be fired to some degree of passion', 46 verklaarde hij later - was de rede een frontale aanval op de presbyteriaanse orthodoxie, in casu op Princeton Seminary. De rede was de aanleiding voor een kerkelijke tuchtprocedure die leidde tot Briggs afzetting als predikant.

Maar tevens leidde deze inaugurele oratie tot de vestiging van een leerstoel bijbelse theologie aan Princeton Seminary, met de orthodoxe tegenhanger van Briggs' leeropdracht. Vos was de beoogde hoogleraar voor de nieuwe leerstoel. Als begaafde jonge theoloog - hij werd in 1892 dertig jaar - had men van hem de verwachting dat hij tegen Briggs opgewassen zou zijn. Hoewel Vos onmiddellijk geneigd was op de vroeg in 1892 gedane uitnodiging van Princeton in te gaan, 47 besloot hij toch in Grand Rapids te blijven. Theologische bezwaren tegen de Presbyteriaanse Kerk vormden voor hem geen hindernis meer - 'Ik houd niet van een overdreven kerkisme hoewel ik er vroeger zelf aan geleden heb', schreef hij op 3 juli 1893 aan Bavinck 48 - maar de positie van het neocalvinisme in de Christian Reformed Church was nog steeds zwak en hij was bang met een ontijdig vertrek uit deze kerk ongedaan te maken wat hij in de voorafgaande jaren had opgebouwd. Maar toen begin 1893 een tweede uitnodiging kwam vanuit Princeton en dit keer met sterke aandrang, durfde hij niet opnieuw te weigeren. Misschien viel het hem ditmaal ook minder zwaar met de vertrouwde wereld van Grand Rapids te breken, vanwege zijn relatie met de congregationalistische Catherine Smith, met wie hij op 7 september 1894 in het huwelijk zou treden.

In elk geval weerhield nu zelfs de binding aan zijn in Grand Rapids woonachtige ouders hem niet meer. De reden om de roep van Princeton nu wel positief te beantwoorden was niet alleen de nood aldaar - 'if Princeton goes down, the cause of orthodox theology and evangelical religion will receive a heavy blow' 49 - , maar ook het conservatisme binnen de Christian Reformed Church, het zwakke academische klimaat aan de Theologische School en de ernstige kritiek in eigen kring op zijn supralapsaristische (d.w.z. kuyperiaanse) leringen. In zekere zin werd Vos door het verzoek van Princeton gered uit Grand Rapids, zoals hij in juli 1893 aan Bavinck uitlegde:

Het spijt mij natuurlijk wel mijn tegenwoordigen werkkring te verlaten. Toch zou de arbeid hier op den duur nauwelijks aantrekkelijk genoeg gebleven zijn, om hem vol te houden. De jongelieden die studeeren zijn zoo weinig ontwikkeld, en de resultaten, die men, trots allen ijver, met hen bereikt zijn zoo miniem, dat men wel den moed moet verliezen. Dit jaar was het examen weer allernaarst. Als ik dat in aanmerking neem, ben ik blij dat ik wegga. (...) Ik vrees dat de school hier radicaal gereformeerd zou moeten worden, eer er verbetering komen kan. De twee andere docenten doen niet veel degelijk werk, en maken het toch de kerk onmogelijk, om 2 of 3 betere te benoemen. 50

Princeton was een betere plaats voor de neocalvinist Vos om te werken dan Grand Rapids, zowel uit strategisch oogpunt als intellectueel (al kan men zich afvragen of het niveau van Princetons studenten zoveel beter was). 51 Een hoogleraarschap in de bijbelse theologie - waarbij hij de nadruk zou leggen op de geschiedenis van de openbaring - trok hem ook meer dan zijn vele en veeleisende verplichtingen in Grand Rapids. In Princeton werd hem veel tijd voor studie gelaten; hij had slechts twee colleges per week te geven - die vermoedelijk niet voor iedereen aantrekkelijk waren, gelet op zijn sterke Nederlandse accent en de grondigheid van zijn onderwijs. 52 Als één van de zes nieuw benoemde hoogleraren sinds 1887 werd hij lid van een verjongde faculteit met meer dan tien hoogleraren.

Op 24 april 1894 werd hij door de Presbytery van New Brunswick van de Presbyterian Church in the United States of America gewijd als evangelist - hij verkreeg het recht te preken, maar aan een gemeente werd hij nooit verbonden. Deze gebeurtenis bezegelde zijn afscheid

van de Christian Reformed Church. Kuyper had alle begrip voor Vos' academische transfer. 'Vos deed in elk geval goed met het schooltje in Grand Rapids te verlaten. Dat zou hem wetenschappelijk vermoord hebben.' 53 Maar minder was hij te spreken over diens overstap naar de presbyteriaanse wereld. Het is duidelijke, dat Vos als gereformeerde Nederlander een grens overschreed door presbyteriaan te worden, maar zijn entree in deze wereld betekende geen afscheid van zijn Nederlandse collega's en hun theologie. Integendeel, hij maakt er zijn geestverwanten Kuyper en Bavinck op den duur tot geziene gasten. Vos' vertrek uit Grand Rapids betekende dat Kuyper de Christian Reformed Church voortaan definitief als tweederangs beschouwde, maar door Vos' nieuwe aanstelling kreeg hij nu voor het eerst Princeton Seminary scherp in het vizier - en dat boeide hem meer dan Grand Rapids ooit had gedaan.

Tussen Vos en de bijna zestigjarige Kuyper bleef de afstand van leerling tot leermeester bestaan, maar met name met de slechts acht jaar oudere Bavinck verdiepte zich de relatie in zijn eerste j aren te Princeton. Nadat ze elkaar in 1888 voor het laatst in Nederland hadden gezien, had Bavinck Vos bezocht in Grand Rapids in de zomer van 1892. Tijdens een verblijf van drie weken in Vos' huis waren de vriendschapsbanden tussen deze verwante karakters nauw aangehaald. 54

Nu Vos een nieuwe start maakte te Princeton, raadpleegde hij de meer ervaren Bavinck over de vraag hoe hij het best zijn colleges zou kunnen opzetten. Ook vroeg hij Bavinck hem gedurig op de hoogte te houden van theologisch nieuws en theologische ontwikkelingen in Nederland. Ook de Nederlandse kerkelijke ontwikkelingen volgde hij op de voet. In 1893 toonde hij zich tegenover Bavinck teleurgesteld dat de samenvoeging van de Theologische School en de Vrije Universiteit was uitgesteld. In Grand Rapids had hij de beperkingen gevoeld van een theologische opleiding die al te nauw aan een kerk gebonden was - en hetzelfde was zijns inziens het geval in Kampen. 55 Een calvinistische theologie zou volgens Vos het beste gedijen in een meer academisch klimaat als aan de Vrije Universiteit of aan het met Princeton College gelieerde Princeton Theological Seminary, zo gaf Vos zijn eerste indrukken vanuit Princeton weer in een brief aan Bavinck, een maand na zijn aankomst. Hij was hoopvol gestemd over het karakter van het Seminary: 'Calvinistic sympathies are stronger now than when I was a student at this place. Warfield especially is very decided, and the others feel his influence.' 56 Vos inaugureerde op 8

mei 1894 als hoogleraar bijbelse theologie met een oratie over 'The idea of biblical theology as a science and as a theological discipline' , 57

Kuypers belangenbehartiger onder de presbyterianen

In de loop der jaren volgde menig begaafd student van de Theologische School te Grand Rapids het spoor van Vos en vertrok na de voltooiing van zijn opleiding aldaar naar Princeton, om een academische graad te behalen. 58 Maar tot de eersten die Vos naar Princeton trok behoorden twee Kamper studenten van Bavinck, W.W. Smitt en G. Wielenga-een zoon van D.K. Wielenga, Bavincks collega aan de Theologische School te Kampen. Zij lieten zich in september 1894 inschrijven aan Princeton Theological Seminary en studeerden er tot de zomer van 1895. Het idee voor dit studieverblijf was van Bavinck afkomstig, maar Vos behartigde hun belangen, onder andere door studiebeurzen en huisvesting te regelen. Hij beschouwde de komst van de twee Nederlanders in wijder perspectief, zo liet hij in allerlei toonaarden aan Bavinck blijken: 'Hunnen komst kan dienen om de gemeenschap tusschen u en ons te versterken'. 59 Vos en ook andere leden van de faculteit te Princeton wensten de betrekkingen aan te halen met de gereformeerden in Nederland, die met verbazingwekkend succes streden voor herstel van de orthodoxie.

Naar het oordeel van Vos zouden deze internationale betrekkingen na de Vereniging van de dolerende met vrijwel alle afgescheiden kerken in 1892 een extra impuls kunnen krijgen door Bavincks overstap van de Theologische School te Kampen naar de Vrije Universiteit. Daarvan was al meermalen sprake geweest en toen Bavinck begin 1894 opnieuw een benoeming aan de Vrije Universiteit overwoog - ter vervulling van dezelfde vacature-Dilloo, waarin acht jaar tevoren Vos was benoemd - , toonde Vos zich een betrokken vriend en collega:

Ik twijfel niet of gij zult ook op het gebied der O.T. studie een uitnemend werk kunnen verrichten. Gij zijt nog jong genoeg om er u geheel in te werken. Maar zou het niet spijtig zijn indien ook uw plaats te Kampen uitgeleverd werd aan een der extreemafgescheidenen? Ik las verleden week de redevoering van uw collega Lindeboom, en de lezing deed mij zoo onaangenaam aan, dat ik bij mij-zelven zei: indien de opleiding te Kampen geheel in dien geest moet geleid worden, staat het er treurig bij met de wetenschappelijke vooruitzichten in de Gereformeerde Kerken

van Nederland. Uw werk schijnt mij toe het eenige tegenwicht te zijn tegen die richting. Aan de andere zijde is het waar dat de Vrije Universiteit zeer groote behoefte aan u heeft. Zij dient zeker vaster gefundeerd te worden. Indien Kuyper eens kwam weg te vallen, zou het zeer de vraag zijn of zij zich handhaven kon. 60

Bavinck besloot tenslotte opnieuw de benoeming af te slaan en als dogmaticus in Kampen te blijven werken. Maar evenals Vos in Grand Rapids, liep ook Bavinck op den duur vast aan zijn Theologische School en in 1902 vertrok hij alsnog naar de Vrije Universiteit.

Deze verandering zou geen wijziging brengen in de balans van de internationale relatie. Het was en bleef hoofdzakelijk een eenrichtingverkeer van Nederland naar de Verenigde Staten, een import van de Nederlandse gereformeerde theologie en geen export van de theologie van Princeton. De voornaamste reden voor deze eenzijdigheid in de verhouding was het feit dat de Nederlandse gereformeerde theologie in het eerste decennium van Vos' hoogleraarschap te Princeton een fase van creativiteit en expansie doormaakte, terwijl de orthodoxe presbyterianen van Princeton hun bloeitijd achter de rug hadden en in het defensief werden gedrongen.

Een illustratie van het Nederlandse offensief vormt Kuypers streven zijn driedelige Encyclopaedie van de heilige godgeleerdheid, verschenen in 1893 en 1894, gelijktijdig in Nederland en de Verenigde Staten te publiceren. Dit werk - Kuypers voornaamste wetenschappelijke publicatie - bood niet zozeer een theologische encyclopedie, als wel een neocalvinistische wetenschapsleer met de theologie als glanzend middelpunt.

Het plan voor een publicatie van dit werk in twee talen had Kuyper in zijn hoofd sinds hij het in 1889 begon te schrijven. Hij mocht er dan niet in geslaagd zijn Vos aan de Vrije Universiteit te verbinden, maar misschien kon Vos hem nu dienen als zijn verbindingspunt in de nieuwe wereld, waarheen hij ook graag zijn invloed wilde uitstrekken. Wellicht heeft Vos' vertrek hem zelfs wel op dit idee gebracht. In ieder geval polste Kuyper hem in oktober 1889 inzake mogelijkheden voor een Amerikaanse editie van zijn Encyclopaedie. Het is interessant dat hij voor deze kwestie Vos raadpleegde, die toen pas sinds een jaar weer in de Verenigde Staten verbleef en er geen ondervinding had met publiceren, en niet een meer ervaren man als docent

N.M. Steffens van Western Theological Seminary van de Reformed Church in Holland, Michigan. Kuyper correspondeerde in deze jaren geregeld met Steffens, omdat deze op zijn verzoek toezag op zijn zoon Frederik, die toen in Chicago verbleef. 61 Hoe dan ook, Vos toonde zich tegenover Kuyper enthousiast over diens voornemen een calvinistische encyclopedie te schrijven. Dat kon een boeiend wetenschappelijk avontuur worden! Maar in een brief aan Warfield, die hij over Kuypers verzoek raadpleegde, toonde hij zich wel bezorgd over de zakelijke kant van het project. Hij twijfelde aan 'the demand in this country for discussions of this sort, as people are apt to consider theology under an exlusively practical aspect.' 62 Wel bood hij Kuyper onmiddellijk aan de vertaling te verzorgen. 63

Kuyper sloot het eerste deel van het manuscript van de Encyclopaedie af in 1893. Tegen die tijd streefde hij naar een gelijktijdige publicatie van de Nederlandse en de Amerikaanse editie. Inmiddels was Vos van Grand Rapids naar Princeton overgestapt en was hij geen vrijgezel meer, zodat had hij niet meer de tijd had om het manuscript te vertalen in het door Kuyper gewenste tempo. Hij vond wel anderen bereid de vertaling op zich te nemen, maar toen ook deze predikantvertalers benoemd werden tot docent - de aanraking met Kuypers werk leek hiertoe een probaat middel 64 - en door vertaalproblemen, liep de verschijning van de Amerikaanse editie grote vertraging op. Een bijkomend probleem was het vinden van een uitgever, die bereid was tot uitgave. Vos riep hiervoor Warfield te hulp en zond hem de vertaling van de eerste honderd pagina's. 65 Maar op 26 februari 1894 moest Vos Kuyper berichten:

Tot mijne teleurstelling vernam ik dat dr. [A.H.] Huizinga [één van de vertalers] nog niet geslaagd is in het vinden van een uitgever. Dr. Warfield sprak er verleden week met mij over. De uitgevers schijnen bevreesd te zijn dat het boek van te zuiver-wetenschappelijke strekking is om in dit praktikale land veel aftrek te vinden. Daarin ligt eenige waarheid. 66

De markt voor vertaalde Nederlandse wetenschappelijke publicaties was erg klein in de Verenigde Staten. Het bleef lang ongewis of een Amerikaanse uitgever bereid zou zijn dit voertuig van het Nederlandse neocalvinisme te publiceren, maar tenslotte nam de gerenommeerde uitgeverij Charles Scribner's Sons te New York de Encyclope-

dia ofsacred theology op in zijn fonds. Het boek verscheen in 1898, kort voor Kuypers aankomst in de Verenigde Staten. De uitgave was een belangrijk internationaal wapenfeit van de Nederlandse gereformeerde theologie, waarbij Vos' een voorname bemiddelende rol had gespeeld.

Abraham Kuyper te Princeton

Vos behartigde niet alleen de belangen van Kuyper in de Verenigde Staten, maar ook die van andere geestverwanten. Hij schreef ondermeer een uitgebreide recensie van deel één en twee van Bavincks Gereformeerde dogmatiek voor PRR. 67 Op deze wijze wist Vos ook b zijn collega's in de faculteit de belangstelling te wekken en warm te houden voor de Nederlandse gereformeerde theologie. Zo baande hij tevens de weg voor wat beschouwd wordt als het hoogtepunt van de Nederlands-Amerikaanse betrekkingen rond de eeuwwisseling: Kuypers komst naar Princeton om zijn Stone Lectures aldaar gehouden. Reeds de aanleiding tot Kuypers komst was feestelijk. Ten tijde van het honderdvijftigjarig bestaan in oktober 1896 van Princeton College - waaruit Princeton Theological Seminary was ontstaan - werd deze instelling omgedoopt in Princeton University. Om deze gebeurtenis luister bij te zetten waren academici van naam uit de Verenigde Staten en Europa uitgenodigd de feestelijkheden ter ere van dit bijzondere jubileum bij te wonen. Onder de genodigden was ook Kuyper, die tevens een eredoctoraat kreeg aangeboden, naar keuze in de godgeleerdheid ('as a theologian') of in de rechten ('as a public man'). Hij was tevens gevraagd een academische rede te houden. 68 De graad zou Kuyper verleend worden op 22 oktober 1896, als onderdeel van de inwijdingsplechtigheid ter gelegenheid van de naamswisseling van de gerenommeerde instelling, waarbij de heffe van academisch Amerika en zelfs de president van de Verenigde Staten, Grover Cleveland, tegenwoordig zou zijn. Van de vijf theologen die deze dag onderscheiden zouden worden, was Kuyper de enige van het Europese continent en de enige calvinist.

Ongetwijfeld hebben Vos en de faculteit van Princeton Seminary de hand gehad in deze uitnodiging en hebben ze terecht gemeend, dat deze academische feestelijkheden een uitgelezen mogelijkheid boden om Kuyper op de vleugels van dit gedruis, zijn neocalvinisme te introduceren in de Amerikaanse academische wereld. Maar ze begrepen ook, dat de reis een onderneming betekende en dat Kuyper zich

daartoe aan het begin van het nieuwe werkseizoen voor geruime tijd aan al zijn verplichtingen zou moeten onttrekken. Op verzoek van de faculteit schreef Vos hem daarom een brief, waarin hij hem aanmoedigde toch vooral de uitnodiging te aanvaarden en de lange reis naar New Jersey te maken. Reeds jarenlang met Kuyper in persoonlijke correspondentie staande, schreef hij hem nu voor het eerst ook ambtshalve:

Indien het eenigszins mogelijk is, zou ik u dringend willen verzoeken de reis te doen en ons het genoegen en de eer van uwe tegenwoordigheid te bereiden. Ik zeg ons want de faculteit van ons seminarie heeft mij opgedragen [op] de zaak bij u aan te dringen. Uw werk voor de Heere en voor de gereformeerde theologie en de gereformeerde kerken is bij ons in eere en met dankzegging genieten wij de vrucht die tot ons komt, nu het laatst in uw schoone Encyclopaedie. Naar mijn overtuiging kan persoonlijke kennismaking tusschen dr. Warfield en anderen en u van beteekenis zijn voor de toekomst. Laat de gelegenheid niet voorbij gaan. 69

Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen, dat Kuyper graag op deze uitnodiging inging. Kuyper beschouwde de Verenigde Staten als het calvinistische land van de toekomst en hij had reeds het voornemen het te bezoeken, maar deze mogelijkheid om te schitteren voor 'one of the most distinguished audiences ever assembled in America' 70 leek bij voorbaat zijn jïnest hour te worden.

Kuyper schreef dus aan Vos dat hij zou komen. Maar in juni 1896 moest hij berichten toch voor de uitnodiging te moeten bedanken. Er waren ernstige moeilijkheden gerezen aan de Vrije Universiteit rondom de hoogleraar A.F. de Savornin Lohman, er werden later die maand Tweede Kamerverkiezingen gehouden met nog niet te voorziene gevolgen voor de Antirevolutionaire Partij en Kuyper stond onder ernstige kritiek binnen de Gereformeerde Kerken. In augustus zou een generale synode bijeenkomen, die zich uit te spreken had over bezwaren ingebracht tegen Kuypers neocalvinistische theologie en over de vraag of de theologische opleiding geschoeid zou moeten worden op de inzichten verwoord in Kuypers Encyclopaedie - dat wilde met name zeggen: vrij van de kerk en in een neocalvinistisch kader - of ingericht overeenkomstig de kerkelijke structuur van de Theologische School te Kampen en de daar voorgestane theologische inzichten. Nu de stand van zaken op diverse terreinen zo kritiek was,

kon Kuypers aanwezigheid in zijn eigen land niet gemist worden.

De Princetonians waren teleurgesteld, maar ze lieten hun voornemen niet varen. De universiteit nodigde hem nu uit voor het volgende jaar en namens Princeton Seminary verzocht Vos Kuyper ergens tussen september 1897 en april 1898 de jaarlijkse Stone Lectures te komen geven - zes tot acht samenhangende lezingen over een theologisch onderwerp. 71 Opnieuw nam Kuyper de uitnodigingen aan en stelde Vos voor te spreken over het calvinisme.

Kuyper schreef zijn lezingen in de herfst van 1897. Geleerd door de ervaringen opgedaan bij de vertaling van de Encyclopaedie, drong Vos er bij Kuyper op aan de lezingen onmiddellijk na voltooiing aan hem op te zenden ter vertaling, of zijn komst nog een jaar uit te stellen. 72 Kuyper begreep wat hem te doen stond. Hij zond tijdig zijn manuscript naar Vos. Ook ditmaal kon hij echter zijn toezegging niet gestand doen en moest hij zijn lezingenserie en de graadverlening uit laten stellen tot oktober 1898.

Kuyper zou Kuyper niet zijn als hij de regie aan Vos zou hebben overgelaten. Gedurende zijn reis wijzigde hij de tekst van zijn lezingen zo ingrijpend, dat een nieuwe vertaling geboden was, tien dagen voor het uitspreken ervan. Dankzij de hulp van vrijwel alle beschikbare Nederlands-Amerikaanse academici - J.H. de Vries, H.E. Dosker, Huizinga, Steffens, and Vos - werden de lezingen in ijltempo opnieuw vertaald - nog juist op tijd. 73

Toen Kuyper in de zomer van 1898 in New York aankwam, was de Amerikaanse editie van de Encyclopedia juist verschenen. De over het debiet bezorgde Vos hoopte dat de aanwezigheid van de auteur zou kunnen bijdragen aan de verkoop van het boek. 74 In elk geval was Kuyper nu in de gelegenheid zelf de zaken te behartigen die hij jaren lang aan Vos had moeten overlaten. Hij trad in overleg met Scribner's over een volgende Amerikaanse uitgave van zijn hand, de Stone Lectures over het calvinisme. Maar het liep zoals Vos al gevreesd had: de uitgever was niet tevreden over de verkoop van de Encyclopedia en toonde zich om die reden niet bereid een nieuwe uitgave van Kuypers hand te verzorgen. 75 Gelukkig was een andere, zij het minder gerenommeerde uitgever daartoe wel bereid.

Met twee voorname Amerikaanse boekpublicaties van Kuyper, diverse tijdschriftartikelen van en over Bavinck en Kuyper in Amerikaanse periodieken en Kuypers komst in 1898 was Vos' streven het neocalvinisme in de Verenigde Staten te introduceren voltooid.

Uiteenlopende neigingen

Zelfs aan Vos' tijdgenoten was het vrijwel onbekend dat hij zo sterk de hand had in de introductie van de Nederlandse neocalvinistische theologie aan Princeton Seminary. Kenmerkend is de kritische opmerking die Dosker over Vos maakte in een brief aan zijn jeugdvriend Bavinck, enkele maanden na Kuypers Amerikaanse reis: 'Een man als Vos kan onberekenbaren invloed uitoefenen, door zijn positie te Princeton, indien hij namelijk dien invloed gebruikt, en zich niet in de studiecel opsluit.' 76 Vos wendde zijn invloed wel degelijk aan en zijn optreden is de sleutel tot de oplossing van de paradox, dat Kuypers erfenis vandaag de dag het meest bekend is in de gemeenschappen van Nederlandse afkomst in het Amerikaanse midden-westen, maar dat de vader van het neocalvinisme het hoogtepunt van zijn Amerikaanse reis beleefde in de presbyteriaanse wereld van Princeton Theological Seminary.

Vos bleef hoogleraar bijbelse theologie aan Princeton Seminary tot aan zijn emeritaat in 1932 en publiceerde in die tijd enkele belangrijke boeken. f 77 Tijdens de Presbyterian Controversy in de jaren twintig, een richtingenstrijd die het voortbestaan van het Seminary ernstig in gevaar bracht, hield Vos zich afzijdig. Hij sympathiseerde met de orthodoxe groep rond J. Gresham Machen, die in 1929 het Seminary verliet om te Philadelphiahet Westminster Theological Seminary te stichten, maar volgde haar niet. 78 Niet opgewassen tegen felle strijd en wars van rumoer, liet hij de golven van de strijd gelaten en soms gedeprimeerd over zich heen komen. Volledig Amerikaans geworden, was hij toch zijn moedertaal niet verleerd en vanaf de jaren twintig begon hij in het Nederlands bundeltjes religieuze poëzie te publiceren. Zijn laatste jaren sleet hij in Grand Rapids, terug in de emigrantengemeenschap, waaruit hij eens was weggetrokken.

Vos' loopbaan en uitdagingen zijn illustratief voor de vroege geschiedenis van het neocalvinisme in de moderne wereld. Aangetrokken tot het ideaal van van een calvinistische wetenschapsbeoefening aan de Vrije Universitet, trachtte Vos daar in de theologie - die in dit ideaal een centrale rol speelde - vorm aan te geven, eerst aan de Theologische School te Grand Rapids en, toen dat daar niet lukte, aan Princeton Seminary. De successen en de mislukkingen die hij gekend heeft zijn nauw verbonden met een dubbele spanning in de Nederlandse-Amerikaanse neocalvinistische betrekkingen. De ene spanning werd veroorzaakt door de ambivalente waardering van Kuypers

theologie in Nederlandse gereformeerde kringen, verwelkomd door vele gereformeerden, maar tegengestaan door het merendeel van de leidende theologen van de Afscheiding in Nederland en in de Verenigde Staten. De andere spanning vond zijn oorsprong in de complexe verhouding tussen de theologie van Princeton en het neocalvinisme, waarbij Princeton wel de steun van het neocalvinisme begroette, maar gereserveerd bleef jegens zijn inhoud.

Voegt men deze spanningen bij Vos' eigen ambivalentie inzake Europa en de nieuwe wereld, Kuypers cultuurtheologie en de mentaliteit van de Afscheiding, en de kerk en het wetenschappelijk onderzoek, dan is de geschiedenis van Kuypers introductie in de Verenigde Staten in meerdere opzichten een verhaal van twee continenten. Maar hoe men de geschiedenis van de Amerikaanse receptie van het neocalvinisme ook beoordeelt, van Nederlandse zijde bezien was het een succes dat Vos er in slaagde Kuyper te introduceren bij één van de belangrijkste Amerikaanse theologische instellingen van rond de eeuwwisseling. De tekst van Kuypers zelfverzekerde Stone Lectures geeft van dit besef blijk, een stralend calvinisme presenterend, met de belofte van zijn glorie in de Verenigde Staten.

De spanningen en ambivalenties in en rondom de neocalvinismereceptie vertoonden zich in Vos' leven en loopbaan. Juist om die reden is zijn geschiedenis zo'n boeiend uitgangspunt voor een evenwichtig relaas over dit aspect van de Nederlands-Amerikaanse betrekkingen. Het is de geschiedenis van ambivalenties, die zeider sterker worden beseft dan door migranten, die niet leven in de wereld waarin zij geworteld zijn, en waarvan Jacob Israël de Haan dichtte in zijn kwatrijn:

Die te Amsterdam vaak zei: 'Jeruzalem' En naar Jeruzalem gedreven kwam, Hij zegt met een mijmrende stem: 'Amsterdam. Amsterdam.' 79


33. Mark S. Massa, Charles Augustus Briggs and the crisis of historica] criticism (Minneapolis, 1990), pag. 77.

34. Calhoun, Princeton Seminary, pag. 121.

35. J. DeWitt en B.B. Warfield, Ought the confession of faith be revised? (New York, 1890), pag. 39; B.B. Warfield, 'The final report of the committee on revision of the confession', Presbyterian Reformed Review, 3 (1892), pag. 329.

36 J. Faber, Amerikaanse afscheidings-theologen over verbond en doop (Barneveld, 1995), pag. 17.

37. J. van der Mey aan Kuyper, 18 februari 1896. Archief-Kuyper.

38. Vos aan B.B. Warfield, 22 oktober 1889. Archief- B.B. Warfield. LL.

39. Vos aan Kuyper, 1 februari 1890. Archief- Kuyper.

40. Zie: Warfield aan Bavinck, 16 juni 1890. Archief-Bavinck\ Vos aan Kuyper, 12 juli 1890. Archief-Kuyper.

41. A. Kuyper, 'Revisie formulieren van eenigheid', De Heraut, 30 maart-6 april, 20 april-20 juli 1879, later gepubliceerd onder de titel Revisie der revisie-legende (Amsterdam, 1880). Vos was geabonneerd op De Heraut.

42. PRR, 2 (1891), pag. 369-399; ook gepubliceerd in The Presbyterian Quarterly, 18 (oktober 1891), pag. 479-516, en in het Nederlands: Calvinisme en revisie (Amsterdam, 1891).

43. A. Kuyper, 'De revisie der Westminster confessie, ' De Heraut 6 en 13 september 1891; mogelijk ook gepubliceerd in The New York Observer, oktober 1891.

44. Vos aan Kuyper, 1 februari 1890: 'Wat gij over uw wensch schreeft, om mij nog eens naast u te zien werken, deed mij op nieuw aan. Ik zou het mij ook nu tot een eere rekenen, maar 't schijnt alsof ik hier zal moeten arbeiden. Gelukkig er is hier een volk dat in de gereformeerde waarheid leeft en dat liefde tot haar uit het oude vaderland heeft meegebracht. Ook uw naam is hier bij velen bemind.' Archief-Kuyper. Steffens aan

Kuyper, 7 mei 1886: 'Ik kan begrijpen, hoe de gedachte in u opkomt of het niet beter ware met het gereformeerde volk te verhuizen öf naar Afrika of naar Amerika.' Archief-Kuyper.

45. Vos aan Bavinck, 30 juni 1891. Archief-Bavinck.

46. Robert T. Handy, A history of Union Theologica Seminary in New York (Ne York, 1987), pag. 71.

47. W. Henry Green aan Warfield, 29 februari 1892: 'I enclose a letter just received from Vos, whose queries I will answer, and who suggests no obstruction in the way of his coming'. A rchief-Warfield.

48. Archief-Bavinck.

49. W. Henry Green aan Vos, 19 maart 1892. Kopie van brief in het bezit van Richard B. Gaffin. Jr.

50. Vos aan Bavinck, 3 juli 1893. Archief-Bavinck. Voor een ander kritisch oordeel, zie: Steffens aan Kuyper, 25 januari 1891: 'Het is jammer, dat die jonge man [Vos] zijne krachten verspilt in die kringen. In Nederland zou hij, indien ik niet mistast in mijn oordeel, veel meer nut kunnen doen.' Archief- Kuyper. Voor een waardering van Vos door één van zijn studenten, zie: Henry Beets aan Dirk Scholten, 6 februari 1893: 'We have a splendid professor in dr. Vos. He is a calvinist of the most pronounced type and a supra-lapsarian at that (...) He is a young man of thirty and as kind and obliging and humble as I never saw a man before. And what a treasure of knowledge he may call his own! I suppose you know he is a close friend of your old professor dr. Steffens and also to the drs. Bavinck, Kuiper, Warfield, etc.' Archief-H. Beets. HH.

51. Calhoun, Princeton Seminary, pag 208: 'Because of the weightiness of his lectures and his patiënt, methodical style of scholarship, the enrollment of dr. Vos' elective classes was often sparse.' Cornelis van Til beschouwde Vos echter als 'the greatest pedagogue I ever sat under'.

Dennison, Geerhardus Vos, pag. 19.

52. Vos aan Bavinck, 3 juli 1893. Archief-Bavinck.

53. Kuyper aan Bavinck, 24 januari 1894. Archief- Bavinck.

54. Zie: George Harinck (red.), H. Bavinck, Mijne reis naar Amerika, Barneveld, 1998.

55. Vos aan Bavinck, 3 juli 1893. Archief-Bavinck.

56. Vos aan Bavinck, 20 oktober 1893. Archief- Bavinck. Vgl. Vos aan Kuyper, 26 februari 1894: 'Ik werk hier aanvankelijk met genoegen. Princeton oefent te midden van den algemeenen afval een goeden invloed uit. Men is hier over den. loop der dingen beslister geworden in de laatste jaren.' Archief- Kuyper.

57. Inauguration of the rev. Geerhardus Vos as professor of biblical theology, New York, 1894; herdrukt in Gaffin, Redemptive history, pag. 3-24.

58. James D. Bratt, Dutch calvinism in modern America. A history of a conservative subculture (Grand Rapids, 1984), pag. 107.

59. Vos aan Bavinck, 1 februari 1894. Zie ook: Vos aan Bavinck, 21 november [1893], 22 december 1894. Archief-Bavinck.

60. Vos aan Bavinck, 28 maart 1894. Archief-Bavinck. Het is interessant dat een beroep op Bavinck en Vos werd gedaan in een gelijksoortige situatie en met gelijkluidende argumenten. Princetons oudtestamenticus W.H. Green drong als volgt bij Vos aan op zijn komst: 'Remember that the Master, under whose orders you serve, rules the whole field of battle, and not one corner of it merely. Is he not calling you to a point where you can do his work more effectively' (Calhoun, Princeton Seminary, 138). Enkele maanden later drong Kuyper bij Bavinck aan op diens komst naar de Vrije Universiteit in vrijwel dezelfde bewoordingen: 'We mogen onze levenspositiekeuze niet te enghartig en aan kleine overleggingen afmeten, maar hebben ons af te vragen: hoe en op wat plaats we de groote zaak van onze belijdenis, in verband met den grooten wereldstrijd het best dienen kunnen.' Kuyper aan Bavinck, 4 februari 1894. Archief- Bavinck.

61. In het Kuyper-archief bevinden zich vijftien brieven van Steffens, uit de periode 1882-1899; drie brieven zijn uit 1888.

62. Vos aan Warfield, 22 oktober \ . Archief- Warfield.

63. Vos aan Kuyper, 1 februari 1890. Archief- Kuyper.

64. Vos aan Kuyper, 30 april 1896: 'Het spijt mij zeer dat zij [ de vertaling van de Encyclopaedie] zoo ongelukkig is geweest telkens weer haar vertaler te verliezen. Het is waar den vertalers zelf schijnt zij geluk te brengen, want tot driemaal toe heeft zij een benoeming als professor met zich gebracht.' Archief- Kuyper.

65. Zie: A.H. Huizinga aan Warfield, 13 februari 1894. Archief-Warfield.

66. Archief-Kuyper.

67. PRR, 1 (1896), pag. 356- 363, ook verschenen in het Nederlands in De Wachter, 2-16 september 1896.

68. H.B. Tine aan Kuyper, 11 april 1896. Archief- Kuyper.

69. Vos aan Kuyper, 30 april 1896. Archief-Kuyper.

70. Calhoun, Princeton Seminary, pag. 168.

71. Vos aan Kuyper, 9 oktober 1896. Archief- Kuyper.

72. Vos aan Kuyper, 11 oktober 1897. Archief- Kuyper.

73. P.S. Heslam, Creating a christian worldview. Abraham Kuyper's lectures on calvinism (Grand Rapids, 1998), pag. 62: ongelukkigerwijs bracht Kuyper ook nog wijzigingen aan in de voor de zetter bestemde tekst, 'with a view to bettering the English', zoals Warfield noteerde, 'but with the effect of waning it sadly'.

74. Vos aan Kuyper, 11 oktober 1897. Archief- Kuyper.

75. Ch. Scribner's & Sons aan Kuyper, 17 oktober 1898. Archief-Kuyper.

76. Dosker aan Bavinck, 17 januari 1899. Archief- Bavinck.

77. Vos publiceerde onder meer: The self-disclosure o Jesus. The modern debate about the messianic consciousness, New York, 1926 en The Pauline eschatology, Princeton, 1930.

78. Zie: George Harinck, "Our history is not without parallels'. Reacties uit gereformeerde kring in Nederland op het ontstaan van Westminster Theological Seminary te Philadelphia', in: Radix, XXIII (1997), pag. 44-67.

79. Jacob Israël de Haan, 'Onrust', in: Verzamelde gedichten, 2 (Amsterdam, 1952), pag. 358.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2000

DNK | 84 Pagina's

Geerhardus Vos, wegbereider voor het neocalvinisme in Amerika, II

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2000

DNK | 84 Pagina's

PDF Bekijken