Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

AANDACHTIG ZELFONDER- ZOEK GUNT MIJ DAN OOK NIET DEN MINSTEN TWIJFEL

Kuypers zelfportret in de Confidentie (1873)

80 minuten leestijd

J. VREE

In 1873 publiceerde de toen 36-jarige Abraham Kuyper zijn Confidentie. De brochure zou een van zijn bekendste werken worden, vooral omdat er onder meer een 'ietwes intieme' autobiografische terugblik in werd geboden, waarin hij uitlegde hoe hij 'door persoonlijke levenservaringen' er toe gekomen was een actieve rol te spelen in de kerkelijke strijd van zijn dagen. 1

Tijdens het hoogtij van de Kuyperverering werden de autobiografische mededelingen van de Confidentie zonder meer overgenomen. Een voorbeeld daarvan biedt de levensbeschrijving van de hand van W.F.A. Winckel, die in 1919, dus nog tijdens het leven van Kuyper, op de markt kwam. 2 Ook de uit 1938 daterende dissertatie van P. Kasteel, de volledigste Kuyperbiografie tot dusver, is wat het gebruik van de mededelingen betreft meestal weinig kritisch. 3 De kentering kwam rond de Kuyperherdenking van 1987. C.H.W. van den Berg merkte in 1986 op dat bepaalde gegevens met enige scepsis bekeken dienden te worden. 4 Een jaar later vergeleek C. Augustijn Kuypers zelfbeeld in de Confidentie met twee latere zelfportretten. Door een aandachtige analyse van de overeenkomst en verschillen tussen de drie bracht hij met enkele forse lijnen zowel de betrekkelijke als de wezenlijke waarde van de stukken aan het licht. 5 G. Puchinger ging in zijn eveneens in 1987 verschenen studie over de jonge Kuyper minder behoedzaam te werk. Onverdroten combineerde hij autobiografische gedeelten uit de Confidentie met tot dan toe niet voor onderzoek vrijgegeven primair materiaal, waaronder vooral de brieven die Kuyper en zijn verloofde Jo Schaay van september 1858 tot aan hun

Dr. J. Vree (Dotingalaan 112, 1381 GEWeesp), is universitair docent kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

huwelijk in juli 1863 met elkaar wisselden. 6 De kritiek van J. Stellingwerff, die in 1989 zijn deel werd, was terecht. Echter, evenmin als Puchinger slaagde Stellingwerff er in zich los te maken uit de ban van zijn object. Stellingwerffs benadering van Kuypers zelfportret in de Confidentie werd daardoor van de weeromstuit hyperkritisch. Volgens hem was Kuypers 'slordigheid' bij het optekenen daarvan 'niet alleen romantisch, maar ... ook geraffineerd': een nieuw bewijs voor 'het onechte en religieus dubieuze bij de man, die boven allen uitstak'. 7

Na Stellingwerffs kritiek bleef het stil. Ieder die zich met Kuyper bezig hield, was er inmiddels van doordrongen dat er iets aan de hand was met het bewuste portret, maar tot nader onderzoek kwam het niet. Een nauwkeurige analyse van het ontstaan, de opbouw en de inhoud ervan bleef achterwege. Het nu volgende onderzoek wil in deze leemte voorzien. Eerst vergelijk ik Kuypers zelfbeeld met gegevens uit de tijd van het door hem verhaalde. Anders dan Puchinger acht ik het namelijk nodig een helder onderscheid te maken tussen Kuypers terugblik uit 1873 en hetgeen we via primaire bronnen aangaande zijn verleden weten. Daarna volgt een overzicht van de omstandigheden waaronder de Confidentie geschreven en uitgegeven werd. Met name Stellingwerff heeft in zijn kritiek deze omstandigheden te weinig verdisconteerd. Het derde gedeelte van het onderzoek is gewijd aan twee brieven die Kuyper ten tijde van het schrijven van de Confidentie van zijn vader, J.F. Kuyper, ontving. Vanwege het belang van deze brieven voor de interpretatie van de Confidentie zijn ze aan het slot van het artikel in extenso opgenomen. Omdat er tot dusver weinig verhelderends is geschreven over Kuyper senior en vooral over diens verhouding tot zijn zoon, wordt de bespreking van beide brieven voorafgegaan door een korte schets van de afkomst van senior en zijn relatie tot Abraham. 8 In een vierde en tevens laatste gedeelte probeer ik aan de hand van het gevondene aan te geven waarom Kuyper in 1873 zijn persoonlijk verleden zo op papier bracht als hij dat gedaan heeft. Het geheel wordt besloten met enkele aanwijzingen voor verder onderzoek.

Donker verleden

Kuyper heeft zijn eerste publieke zelfportret de vorm gegeven van een drieluik. De panelen, elk gevuld met een 'herinnering' aan zijn 'bekeering', worden onderling verbonden door een gemeenschappelijke donkere achtergrond: de tijd waarin zijn 'onbekeerd, zichzelfzoekend gemoed' hem parten speelde. 9 De beschrijving van deze periode vangt aan in de zomer van 1849. Kuyper kwam toen met zijn

ouders, broer en vier zussen uit Middelburg naar Leiden, omdat senior, die hervormd predikant was, een beroep naar de Sleutelstad had aangenomen. Over de kinderjaren in de Zeeuwse hoofdstad wordt gezwegen. Toch dient die tijd hier gememoreerd te worden, omdat Kuyper daar als tienjarige in oktober 1848 reeds een bekeringservaring had, die hij destijds aldus vastlegde: 'dat ik mij bekeerde en een vast besluit nam het kwade te vlieden en het goede [na] te streven'. 10

De verhuizing naar Leiden moet voor Bram een grote verandering hebben betekend. Het kind, dat voor zover valt na te gaan in Middelburg weinig of geen speelmakkers had, kreeg voor het eerst vrienden. Dit was mede een gevolg van het feit dat hij nu naar het gymnasium ging. Tot dan toe had Bram alleen onderwijs genoten van zijn ouders. Toch kwam hij ook in Leiden niet los van hen. Nog veertien jaren zou hij met zijn ouders en zussen samenwonen, totdat hij eindelijk als 25jarige theologiae doctor naar zijn eerste gemeente Beesd toog.

In de Confidentie rept Kuyper met geen woord over dit langdurig verblijf onder het ouderlijk dak. Hij vermeldt slechts wat hij daar als predikantszoon van het kerkelijk leven meemaakte. 'Het was te Leiden, onder het toenmalig liberaal régime, een allerjammerlijkste toestand, en de leugen, de onwaarachtigheid, de ongeestelijke sleur die aan het hartebloed van geheel ons Kerkgenootschap teert, deed zich vooral in de oude Academiestad op een deerniswaardige wijze voor. Met name de destijds gevoerde haspelarijen over het Huiszittenhuis en de Gemeente-commissie toonden zonneklaar, dat noch ter eenre noch ter anderer zijde ook maar van verre een hooger beginsel, een edeler geestelijk belang in het spel was. De kerk was er geen kerk. De geest heerschte er niet.' Die situatie was er volgens hem debet aan dat hij zijn belijdenis steeds maar uitstelde, tot 'den uitersten termijn' dat hij vanwege het proponentsexamen wel moest. Ze was ook mede oorzaak van het feit dat hij aan de universiteit openstond voor 'de machten der negatie die mij ... mijn overgeleverd geloof ontstalen. Het had geen diepte van wortel geschoten in mijn onbekeerd, zichzelfzoekend gemoed, en moest dus wel verdorren toen het aan de verzengende hitte van den twijfelgeest werd blootgesteld'. Niet dat Bram als student 'ooit tot positivisme of ongodisterij verviel, maar van den ouden schat behield ik niets!’11

Leidse haspelarijen

De Leidse 'haspelarijen', die zich van 1845 tot het eind van de jaren zestig voortsleepten, waren inderdaad zeer onverkwikkelijk; ze genoten mede daardoor destijds landelijke bekendheid. Eerst was er het

conflict tussen de regenten van het hervormde Huiszittenhuis 12 en het gemeentebestuur, over de eigendom van genoemd huis en de daartoe behorende fondsen, dat in vele brochures pro en contra breed uitgemeten werd. Op de achtergrond van de zaak, die tot bij de Hoge Raad uitgevochten werd, speelde de toenmalige landelijke strijd tussen kerk en staat over de zeggenschap in de armenzorg. In 1848 vond er zelfs een heuse ontruiming plaats, waarbij de kerkelijken, onder wie de theologische hoogleraar J.F. van Oordt J.Wzn, door de politie uit het bewuste pand gezet werden. De hoogleraar J.R. Thorbecke, toen nog Leids gemeenteraadslid, stelde zich inzake de zeggenschap achter het gemeentebestuur. 13 Toen de Huiszittenstrijd in 1853 na een overeenkomst tussen kerkeraad en stadsbestuur beslecht was, ontbrandde datzelfde jaar een nieuw gevecht, ditmaal tussen de kerkeraad en de zogenaamde 'Gemeente-commissie', een lichaam dat in Leiden de kerkelijke goederen en fondsen beheerde. Directe aanleiding was de weigering van de kerkeraad in december 1853 om de benoeming van de uitgever J.T. Bodel Nijenhuis in de commissie goed te keuren, omdat deze zich zes j aar eerder hardnekkig had verzet tegen het beroepen van ds A. Rutgers van der Loeff, een vurig aanhanger van de Groninger richting. Ook de tweede competentiestrijd die toen volgde, liep soms hoog op. Zo hoog zelfs, dat de oude gemeentecommissie, die, hoewel zij inmiddels vervangen was, nog de zeggenschap over de kas had, begin 1863 eenvoudigweg meedeelde dat de predikanten hun jaarlijkse toelage op het rijkstractement zouden moeten missen. Volgens de commissie was de reden daarvan dat er geen middelen voor waren; anderen echter zagen dit optreden als puur machtsmisbruik. Kuypers vader streed dat jaar zij aan zij met juniors hoogleraar J.H. Scholten, die ouderling was. Eerder, in 1856 en 1857, was senior reeds als voorzitter, respectievelijk scriba van de kerkeraad bij de strijd betrokken geweest. Een andere betrokkene aan kerkeraadszijde was de voorzitter van de nieuwe gemeente-commissie, de hoogleraar J.H. Stuffken, die in dezen geruggesteund werd door zijn vriend C. Hooijer, de bekwaamste hervormde kerkrechtspecialist van die dagen. De strijd over de kerkelijke goederen van hervormd Leiden, waarover eveneens vele stukken en stukjes verschenen, liep in 1869 uit op een stemming in de gemeente over de vraag of men genoemde goederen geheel in vrij beheer zou houden, of dat men zich zou voegen onder het opzicht van het provinciale College van Toezicht. Stuffken was voorstander van dit laatste; zijn mede-commissielid, de hoogleraar A. Rutgers, ried het dringend af. Rutgers werd gevolgd: Leiden hield vrij beheer. 14

In de correspondentie tussen Bram en zijn verloofde valt nagenoeg

niets te bespeuren van de Leidse conflicten. Slechts in een brief van 1 februari 1863 bemerkt men er iets van. Bram vertelt, dat het gezin met vier nog thuiswonende dochters somber gestemd is, omdat het tractement van ƒ1800 - waarmee men volgens hem 'amper' toe kan - , met ƒ200 zal verminderen, vanwege de inhouding van de jaarlijkse toelage. 15 Nergens blijkt iets van een direct verband tussen de Leidse ruzies en de veranderingen die zich in zijn geloofsleven voltrokken. Toch moeten de onenigheden, die steeds samenhingen met het beheer en gebruik van de kerkelijke goederen, hem geraakt hebben. Veelzeggend is de strekking van een opstel uit begin 1859 over 'De ontwikkeling der Pauselijke macht onder Nicolaas I'. Bram bewondert Nicolaas I, omdat deze in de negende eeuw de kerkelijke macht tegenover de wereldlijke versterkte, om aldus op te kunnen komen voor de zwakken. Ik wijs bovendien op zijn aandacht voor de kerkelijke goederen in de dadelijk nader te bespreken 'Commentatio' van 1860. 16

Als lidmaat aangenomen

Op Palmzondag 5 april 1857 werd de toen 19-jarige Bram als lidmaat van de Hervormde Kerk aangenomen. Bij zijn verloofde zou dat twee jaar later plaatsvinden. Van oktober 1858 af probeerde Bram, die als kandidaat klassieke letteren toen juist aan de studie theologie begonnen was, haar zo goed mogelijk op dat belangrijke moment voor te bereiden. Wat hij daarover aan haar schreef, weerspiegelt wat hem bezighield. Bram was in de cursus 1858-1859 vooral doende het geloof rationeel verklaard en bewezen te krijgen. Al op 12 oktober waarschuwde hij Jo: 'Overgang en verandering van opinies schokt ons geloof heviger dan je wel denkt'. Ieder mens was, zo beklemtoonde hij, van Gods geslacht: 'het redelijk en godsdienstig gevoel in ons, is God, die zich overal en dus ook in den mensch openbaart'. Jezus was de ideale mens, in wie goddelijke en menselijke geest geheel samenvielen: 'die mensch Jezus werd zoo groot, zoo volmaakt, en ook ik [ben] bestemd om dat te worden'. Jo werd uitgedaagd 'de leer van Dordt' tegen deze redenaties in bescherming te nemen. Bram besefte best dat er een grote afstand bestond tussen zijn geloof en dat van veel gemeenteleden. Toch schokte hem dat niet; het was eerder een 'zwarigheid' die om een oplossing vroeg op het moment dat hij zelf predikant zou worden. Begin 1859 eiste hij nog meer van Jo: het was niet genoeg dat zij zich voor haar mening op de bijbel beriep, immers 'dan komt de vraag, hoe je weet, dat de B.[ijbel] datgene is, waarvoor jij 'em houdt'. Er valt bij hem geen spoor van twijfel te ontdekken; hij blaakt van zelfvertrouwen. Als Jo 30 maart 1859 het belijdenisonderzoek bij de kerkeraad heeft, schrijft Bram

haar: 'Ook ik deed eenmaal die keus, hoewel ik ze nu beter begrijp dan toen, en nog is 't steeds mijn vurigste wensch om tot eer van mijn God te leven'. 17

Wie het voorafgaande vergelijkt met hetgeen Kuyper daarover in de Confidentie meldt, moet vaststellen dat het chronologisch perspectief in 1873 danig vervormd schijnt te zijn. Als Bram inderdaad zijn belijdenis tot de uiterst mogelijke termijn - dat wil zeggen: tot de reglementair bepaalde twee jaar voor zijn proponentsexamen-had uitgesteld, dan zou hij dat examen in mei 1859 gedaan moeten hebben. Zover was hij toen echter bij lange na niet. Het proponentsexamen zou zelfs nog veel langer op zich laten wachten dan hij op dat moment bevroedde, namelijk tot mei 1862. Dit laatste was het gevolg van een prijsvraag die in april 1859 door de theologische faculteit van Groningen werd uitgeschreven. Gevraagd werd een onderlinge vergelijking van het kerkbegrip van J. Calvijn en dat van J. a Lasco en vervolgens een toetsing van beide aan het evangelie. 18

De Groninger prijsvraag

, Volgens de chronologie van de Confidentie zou de hoogleraar Matthias de Vries Bram reeds eind 1858 opmerkzaam hebben gemaakt op de Groninger prijsvraag. In zijn eerste dusgenaamde 'herinnering' biedt Kuyper het verhaal van het onverwachte opduiken van een fors aantal uiterst zeldzame werkjes van Johannes a Lasco in de bibliotheek van De Vries' vader, ds Abraham de Vries in Haarlem. Deze vondst, die hem in staat had gesteld de prij s vraag te winnen, zou door Kuyper toen reeds beleefd zijn als 'een "vinger Gods'": een eerste 'gewaarwording' op zijn bekeringsweg. Dit zou tevens het moment geweest zijn dat hij 'voor het eerst het reeds lang gestaakte dankgebed vernieuwde'. 19

Wie de brieven aan Jo naleest, leest wel van Brams bezoek aan Haarlem in mei 1859, maar bespeurt niets van de in 1873 beschreven emoties. Wie het verdere verloop van Brams arbeid kent, wordt bovendien getroffen door het feit dat Kuyper in 1873 niet vermeldt dat ook na de vondst bij De Vries senior zijn speurtocht naar Lasciana onverminderd voortging. Nog in februari 1860 bezwoer hij de hoogleraar E. Reuss te Straatsburg voor hem te zoeken naar A Lasco's Responsio adversus Westphalum, omdat hij zonder dat werk de prijsvraag beslist niet goed zou kunnen beantwoorden. Dat Reuss, dankzij de steun van verschillende andere Straatsburgse collega's, het stuk in handen kreeg en hem nog net op tijd een afschrift ervan kon bezorgen, zodat hij dat nog net in een appendix bij zijn antwoord kon verwerken, was op zichzelf geen minder groot wonder dan de vondst bij De Vries. 20

Tijdens zijn vrijwel onafgebroken arbeid om de Groninger prijsvraag op tijd beantwoord te krijgen, is Bram ook bezig geweest met het zoeken van een antwoord op de vraag naar de laatste grond van zijn geloof. Hoe kon de bijbel een 'onfeilbare bron' zijn, nu het zijn 'vaste overtuiging' was geworden dat het auteurschap van de evangelisten geenszins vaststond en bijvoorbeeld Genesis zeker niet van Mozes kwam? 'Nemen we dat alles zamen', schreef hij eind februari 1860 aan Jo, 'dan gevoel je, dat we hier op een glibberige baan staan'. Wat was in de bijbel waar? Hij voelde wel voor een antwoord in de lijn van 'de Roomschen'. 'De Kerk, dat zijn toch alle menschen zamen, en zoo er waarheid is, moeten menschen die toch vinden. Zouden dan alle menschen zamen, dat is de Kerk!, ons niet kunnen leren wat waarheid is? ' Enkele dagen later kwam Bram op de zaak terug: 'Jo, lieve, geloof je niet dat God in den mensch werkt met zijn Heiligen Geest, dat er diepe waarheid ligt in Jezus' woord, dat de Heilige Geest in alle waarheid leiden zal. Zoo ja!... werkt die Heil.[ige] G.[eest] dan niet in de kerk, en... dan is de kerk ook immers in 't bezit der waarheid. ... Gelooviger dan je misschien denkt, ben ik er ten volle van overtuigd, dat God in ons werkt'. Bram was er daarom ook van overtuigd dat al won de leugen voor een tijd, 'waarheid en deugd toch op den duur triompheren'. Eigentijdse opvattingen van zijn leermeester Scholten en gedachten van A Lasco over de Geest die de lidmaten der kerk bindt en leidt vloeiden hier ineen. 21 Tevens wordt zichtbaar hoe toen reeds voor Bram het Schriftvraagstuk en het kerkelijk vraagstuk samenhingen.

Faith, time and energy

'Faith, time and energy is tot nu toe me een levensspreuk geweest, en nog altijd ben ik er goed meê uitgekomen', zo meende Bram medio februari 1860. Hij dacht er zelfs over die woorden als motto boven zijn inzending te plaatsen. Toen hij de 'Commentatio' in april verzond, hoopte hij eind september zijn kandidaats te kunnen doen. Dat kwam overeen met de belofte die hij begin 1859 aan zijn verloofde gedaan had. Hij besefte dat hij opnieuw keihard zou moeten werken. 22 Spoedig evenwel bleek dat hij veel te uitgeput was om zo te kunnen voortgaan. Het bericht uit Groningen van 15 juni 1860 dat zijn antwoord met goud bekroond was, veranderde daar weinig aan. Wel bracht Bram in augustus ineens een ingrijpende wijziging in zijn studieplan aan, waarbij hij plaats inruimde voor een promotie. 'Wanneer ik er kom is onverschillig, zoo ik nog maar in de loop van dezen cursus candid.Jaats] en doctoraal doe en ééns preek. Junij 1861 ben ik dan met dat alles stellig klaar. ... Mijn proponents stel ik uit ... tot Mei

1862. Voor Junij 1862 promoveer ik dan en neem voorgoed afscheid van Leyden.' Dat Bram zijn proponents ongeveer gelijk liet vallen met de promotie, had te maken met carrièreplanning; een jaar lang op 't proponentenlijstje staan zou wel eens averechts kunnen werken! Aansluitend vroeg hij Reuss om advies voor een kerkhistorisch promotieonderwerp dat binnen een jaar te doen zou zijn. 23

Hoewel Bram nadien enkele malen een korter studietraject ontwierp, zag hij daar later toch weer van af. Zijn wispelturigheid in dezen, door Jo betiteld als 'draaierij' 24 , was mede een gevolg van het feit dat hij teveel tegelijk wilde. Zo deed hij, waarschijnlijk gestimuleerd door een advies van Reuss om A Lasco als onderwerp te kiezen 25 , reeds in oktober 1860, voorafgaand aan de prijsuitreiking in Groningen, een verkennende studie in de archieven van Emden. Op verzoek van een predikant aldaar leende hij zich vervolgens voor de vertaling en verspreiding van een Duitse politieke brochure in Nederland. Dit klusje kreeg hij in november 1860 geklaard, samen met de bezorging van een preek van zijn vader 26 , naast zijn gewone studieverplichtingen en bijlessen aan andere studenten. Alles ging echter steeds moeizamer en in februari 1861 stortte Bram, die bovendien door financiële zorgen over aflopende beurzen geplaagd werd, in. Na een onderbreking van vijf maanden, die afgesloten werd met een reis door Duitsland, waarbij hij ook Reuss in het toen Franse Straatsburg bezocht, begon hij weer. In januari 1862 behaalde hij zijn kandidaats; 7 mei werd hij proponent; diezelfde maand deed hij ook nog zijn doctoraal, waarna op 20 september van dat jaar de promotie volgde. Uiteindelijk bleef Kuyper zo toch redelijk binnen de termijnen die hij zich zomer 1860 gesteld had, zij het dat hij niet was toegekomen aan het beschrijven van het leven van J. a Lasco, maar in plaats daarvan een lichte bewerking van het eerste deel van de 'Commentatio' als proefschrift presenteerde.

A Lasco's biografie werd ondergebracht in een contract met de uitgevers M. Nijhoff en F. Muller. Begin september 1862 verplichtte Bram zich vóór 1 j anuari 1864 de kopie aan te leveren voor twee delen Opera omnia van A Lasco en daarna zo snel mogelijk die voor een Vita van A Lasco en een Geschiedenis der gemeenten onder het kruis. Als aanbetaling werd zijn proefschrift gratis uitgegeven. Hoewel hij reeds het nodige verzameld had, stond hij toch voor een enorme opgave. Vrijwel al zijn tijd ging heen met het verzamelen van materiaal uit binnen-en buitenland en het corrigeren van de drukproeven die van november af binnenkwamen. Preken deed hij betrekkelijk weinig; vanwege het grote aanbod van kandidaten kreeg hij gewoon niet veel uitnodigingen. Preken maken deed hij nog minder. Toen hij Goede

Vrijdag 3 april 1863 in Beesd op beroep preekte, was hij voordien nog maar negenmaal voorgegaan met in totaal drie preken. 27 Intussen had hij echter wel, geïnspireerd door het overvloedige materiaal dat hij in oktober 1862 bij zijn tweede bezoek aan Emden had gevonden en meegekregen, voorbereidselen getroffen voor een tweede bronneneditie. Naast A Lasco's Opera wilde hij een meerdelige bronnenuitgave betreffende alle Nederlandse vluchtelingengemeenten tot 1572 vervaardigen. Op 27 maart 1863 regelde Bram, dat hij op de terugreis van Beesd naar Leiden op Stille Zaterdag te Utrecht definitieve afspraken zou maken met het bestuur van het Utrechtsch Historisch Genootschap over subsidie voor dit project, inclusief de daarbijbehorende onderzoeksreizen naar het buitenland. Op Palmzondag, 29 maart, had hij nog steeds goede hoop op Beesd. Eén van de zeven andere kandidaten die met hem uitgenodigd waren om daar te preken, scheen bij het orthodoxe volk bijzonder in de smaak te zijn gevallen, maar O.W. A. graaf van Bylandt, die op de benoeming grote invloed had, moest, aldus Bram, 'bepaald tegen orthodoxie wezen. Slecht staat de kans dus niet'. 28

The Heir ofRedclyffe

Toen Kuyper zo zijn kansen berekende, had de gebeurtenis reeds plaatsgevonden die hij tien jaar later in de Confidentie als tweede 'herinnering'beschreef: de lezing van The Heir ofRedclyffe vanC.M. Yonge, het 'meesterstuk' dat voor hem een middel werd 'tot breking van mijn zelfgenoegzaam, weerstrevend hart' . 29

De lezing in februari 1863 van The Heir heeft inderdaad bij Bram iets wakker geroepen. In de avond van de 28e, vijf dagen nadat hij te horen had gekregen dat hij in Beesd mocht preken, kwam de doorbraak. Op 2 maart bekende hij Jo: 'je jongen heeft gehuild als een kind, heeft weer op zijn knietjes gelegen om te bidden - uit berouw. ... Jarenlang heb ik mijzelven bedrogen, en me wijs gemaakt dat ik goed deed, mijn geweten, mijn kinderlijk gemoed in slaap gewiegd, ... de deugd, een begrip, een ideaal - dat was al mijn dweepen, dat paste zoo bij mijn eerzucht, - ... Maar God heb ik niet gekend'. Na afloop was hij 'gelaten en kalm' geweest, 'ook over Beest[!]'. Uit het antwoord van Jo van 4 maart blijkt waarom Bram juist op een beroep van Beesd zo vurig hoopte. Het forse tractement aldaar - rond ƒ 2800 - bood ruimte voor het nemen van een hulpprediker, zodat er meer tijd zou overblijven voor het editiewerk. De ervaring van 28 februari bleef hem bezig houden. Zondag 22 maart deelde hij Jo mee dat hij nu geen kerkdienst meer oversloeg en daar ook zoveel aan had. Maar vooral noemde hij weer het hervinden van een kinderlijk geloof, waarbij hij

ongetwijfeld ook aan de 'bekering' in Middelburg gedacht zal hebben. 'Jo! - eerst was ik een kind, - eenvoudig en vroom, zoo als een kind dat zijn kan. Men liet mij daar te lang in, vormde geen overgang voor[!] de wereld en de jongelingsjaren, - en toen kwam de schok, - dat kinderlijk geloof viel, en 't kostte me geen tranen'. Daarom boeide de persoon van Guy in The heir Bram zo sterk: 'Guy - 't beeld van mijn kindsheid, maar nu in hem opgeworpen tot 't beeld van een man. Hij leerde me, hoe men ook als man een kinderlijk geloof hebben kan'. 30

Een vergelijking van het bovenstaande met hetgeen Kuyper later in de Confidentie daarover schrijft, laat zien dat er door hem in 1873 uit een ander perspectief naar het gebeurde gekeken wordt. Niet langer staat Guy centraal, maar diens tegenspeler, de hooghartige Philipp. Daarmee vervalt de spontane herinnering aan het verloren kinderlijk geloof, die in 1863 zo'n voorname plaats inneemt. Wel vond Bram toen de weg terug naar een geregeld kerkelijk leven, maar de rol van de kerk werd destijds amper verwoord. In de Confidentie daarentegen staat juist die rol centraal. Eén zin uit de roman, die zich verder niet of nauwelijks over de waarde van de kerk schijnt uit te laten 31 , wordt als het ware uitvergroot. In de beschrijving van Guys begrafenis volgens de Anglicaanse liturgie heet de kerk '"een Moeder, die van der jeugd af onze schreden leidt'". Kuyper borduurt daar op voort als hij vervolgt: 'Dat had mij ontbroken.... mijn ideaal voor het kerkelijk leven was mij in dat vluchtig woord geopenbaard.... toen was voor altijd die voorliefde voor den vasten vorm, die hooge prijsstelling op het Sacrament, die waardeering der Liturgie in mij geworteld, die mij nog altijd dorsten doet... naar een geheiligden Kerkstaat, waarin mijn hart en dat der mij nen, van alle twistgevoel verre, de stille verkwikking des vredes in het vaste en eeuwige eener beslissende leiding genieten kan' , 32

Opvallend is dat de confrontatie met The Heir in de Confidentie nauwelijks gedateerd wordt. Het is duidelijk dat dit nog in de academietijd speelt, maar elke verwijzing naar de spannende dagen voorafgaand aan het beroep naar Beesd en het contract met het Utrechtsch genootschap is gewist. Daardoor krijgt het geheel in zekere zin een tijdloos karakter, zeer geschikt om alles te omvatten wat Kuyper zich blijkens de bronnen in een reeks van jaren heeft eigen gemaakt. Immers, zijn studie van Calvijn en A Lasco had hem al vóór 1863 het nodige bijgebracht van andere opvattingen ten aanzien van de kerk en haar liturgie. Hoe dit in hem voortleefde, kwam voor het eerst duidelijk naar buiten in twee artikelen over het ontstaan van de Hervormde Kerk en vooral van haar eredienst, die in 1865 in Beesd

door hem geschreven werden. Toen hij in 1867 naar Londen toog om daar de archieven van de vluchtelingengemeente Austin Friars te bestuderen en toen ook persoonlijk kennismaakte met de Anglicaanse ritus, werd zijn gevoel voor stijl verder gevoed. Het resultaat van dit alles was dat Kuyper in januari 1873 - dus slechts enkele maanden voordat hij de Confidentie schreef - de Amsterdamse kerkeraad voorstelde om de avondmaalsvieringen, die op dat moment viermaal per jaar in tien kerken tegelijk gehouden werden, zodanig te spreiden en uit te breiden dat een wekelijkse viering mogelijk werd.

Beesd

Kuypers derde 'herinnering' voert zijn lezers naar Beesd, waar 'in hun hoek verscholen arbeiders' door 'stijf' vasthouden aan hun 'goedgeordende wereldbeschouwing, zij 't ook naar oud-gereformeerden trant' hem, de discipel van de 'talentvollen leermeester' Scholten, op het spoor zouden hebben gezet van '"de volle souvereine genade'", van de waarde van Calvijns systeem en met name ook diens 'vasten kerkvorm' , 33 Meer nog dan bij de twee andere 'herinneringen' , valt het bij vergelijking met bronnen uit de jaren te Beesd (1863-1867) op, dat de Kuyper die in de terugblik van 1873 verschijnt nagenoeg passief is: de dingen overkomen hem, hij wordt van Hogerhand geleid. Verdoezeld is dat de jonge predikant die in Beesd bekeerd werd, er zelf vier jaar lang voortdurend op uit was om op zijn beurt anderen te bekeren - het hinderde niet of dat Nutsleden waren, de plaatselijke heer, Van Bylandt, of zelfs de vrome gezelschapsleden. Onvermeld blijft verder dat hij door behendig manoeuvreren er in 1867 in geslaagd was enige democratie in te voeren in het Betuwse dorpje, door de instelling van een kerkelijk kiescollege, ondanks sterk verzet van Van Bylandt. De graaf was niet in het college gekozen, wel de arbeider Herman Baltus, een broer van Pietje, de gezelschapshoudster. Bovendien bespeurt men in wat hij in Beesd preekte en publiceerde nog lang niet die aandacht voor Calvijn en diens kerkvorm, die hij volgens het beeld van de Confidentie toen reeds gehad zou moeten hebben. 34

Strijd op meer fronten (voorjaar 1873)

Toen Kuyper zijn zelfportret op papier zette, had hij net weer een periode van overspanning achter de rug. 35 De inzinking, die ditmaal van medio januari tot medio maart 1873 duurde, volgde op een nederlaag in de kerkeraad. Zijn plan om, nadat de kerkelijke goederen van Amsterdam ongrijpbaar waren gemaakt voor de kerkelijke besturen, in verzet te komen tegen de synode, was falikant mislukt. Hij had de

orthodoxe meerderheid in de raad niet meegekregen, omdat haar andere leiders, die in meerderheid uit de voorname Amsterdamse Réveilkring afkomstig waren of daaraan verwant, weigerden hem te volgen. De poging om via een in oktober 1872 opgerichte vereniging van kerkeraadsleden, 'Beraad' genaamd, toch een meerderheid te forceren, was op niets uitgelopen. Kuyper voelde zich op dat moment als de knecht des HEREN uit Jesaja, die door allen miskend werd. Toen een van zijn medestanders in De Vereeniging: Christelijke Stemmen van februari 1873 'Beraad' verdedigde, verscheen daarop in het maartnummer van dit blad een reactie van ouderling J.H. van der Linden, die betoogde dat 'Beraad' in feite neerkwam op een deloyale machtsgreep in de kring van orthodox-hervormde kerkeraadsleden. Kuyper reageerde prompt. Op 9 maart kondigde hij in De Standaard aan, dat hij de tegenschrijver in de Stemmen van repliek zou dienen. Inderdaad verscheen in het aprilnummer van laatstgenoemd blad een op 29 maart gedateerd artikel. Kuyper liet het daar niet bij. Op 1 mei bracht hij het stuk opnieuw uit in een afzonderlijke brochure bij de uitgever van de Stemmen, Höveker & Zoon te Amsterdam: de Confidentie. Aan het oorspronkelijke stuk van zo' n dertig bladzijden waren nog eens tachtig pagina's toegevoegd, die openden met de bewuste autobiografische terugblik.

Toen Kuyper de brochure schreef lag hij niet alleen overhoop met zijn kerkeraad. Hij was van februari tot mei 1873 tevens, zowel publiekelijk als in persoonlijke briefwisseling, in een emotionele discussie gewikkeld met J.H. Gunning jr. Onderwerp was in dit geval het Schriftvraagstuk; wat betekende de uitspraak: 'De Schrift is Gods woord'? 36

Daarnaast zocht Kuyper in die maanden naar wegen om uit de impasse te komen waarin hij met zijn streven geraakt was. Hoe hij dit deed, blijkt uit wat hij 7 maart 1873 aan zijn geestelijke vader G. Groen van Prinsterer schreef. Trots somde hij een hele lijst werken op die hij tijdens zijn gedwongen rust had gelezen: de achtdelige Works van E. Burke, de Collection des mémoires van F.P.G. Guizot, werk van Alex. de Tocqueville en H.ER. de Lamennais. Door deze lectuur rees bij hem de vraag of er vroeger niet zo iets als een specifiek gereformeerd staatsrecht kon zijn ontwikkeld, met doorwerkingen in later tijd, met name in Amerika. Zou de volkssoevereiniteit zoals die daar bestond niet heel goed antirevolutionair kunnen zijn? Het voorlopig resultaat van deze bezinning kwam naar buiten in de preek waarmee Kuyper op 23 maart 1873 zijn nieuwe collega Ph.S. van Ronkel bevestigde. Dit betoog over Vrijheid mondde uit in een scherpe afwijzing van de volkskerk en een oproep tot' splitsing der kerken... zonder

sparen'. Als Amsterdam gesplitst zou worden in kerspels, waarbij de verschillende richtingen - orthodox, modern en de middengroep - ieder haar deel zouden krijgen, dan zou de ideale situatie kunnen ontstaan dat 'elke kring zich ten voorganger koos, wie de man des vertrouwens was. Denk u den dienaar in dien beperkten kring met elk gezin bekend, aller huisvriend, ze allen bij namen noemend, en met geestelijken blik onderscheidend, wat er woelt in elks hart. Denk u in dien kring allen door dienzelfden dienaar gedoopt, door hem onderwezen, door hem gehuwd, door hem bezocht op 't krankbed'. Uit de aantekeningen bij de gedrukte uitgave van de preek bleek, dat naast de Schrift vooral De Tocqueville's beeld van civil religion en vrije kerken in De la démocratie en Amérique Kuypers inspiratiebron was geweest. 37 Het was onder meer deze preek, die J.F. Kuyper verlokte om op 16 april 1873 een lange brief aan zijn zoon te schrijven.

Vader en zoon Kuyper

Jan Frederik Kuyper was de oudste zoon van een Amsterdamse borstelmaker, die eerst in de tussen Singel en Nieuwezijds Achterburgwal (thans Spuistraat) gelegen Raamsteeg, en nadien in de iets Noordelijker, tussen Singel en Herengracht gelegen Wijde Gasthuismolensteeg (thans Gasthuismolensteeg) zijn nering dreef. Evenals Bram later, liet hij al jong blijken dat hij kon vechten voor een ideaal. Hij wilde predikant worden, hoewel zijn ouders daartoe geen middelen bezaten. Daarom vroeg hij een der plaatselijke predikanten of die hem aan een beurs kon helpen. Toen dat niet lukte, wendde hij zich als 15-jarige begin 1816 tot koning Willem I met het verzoek of die hem wilde steunen. Zijn request werd afgewezen. Kuyper, op dat moment jongste bediende bij het aan de Herengracht gelegen handelshuis Ruys en Zimmerman, zou echter alsnog een kans krijgen. 38 Hij bekwaamde zich in het Engels. Die bekwaamheid zorgde er voor dat hij in 1823 ontdekt werd door de plaatselijke hervormde predikant D.M. Kaakebeen, tevens secretaris van het Nederlandsche Godsdienstige Traktaat Genootschap. Kuyper vertaalde namelijk voor dit genootschap enkele Engelse traktaatjes. Met steun van Amsterdamse aanzienlijken, onder wie de familie waar zijn meisje, de eveneens in de hoofdstad geboren Henrietta Huber, als gouvernante werkte, kon J.F. Kuyper vanaf genoemd jaar theologie studeren, eerst aan het Athenaeum in zijn vaderstad en van 1825 af in Leiden. Omdat ook vader Huber, die in de Leidsestraat een stoffen winkel dreef, nagenoeg geen bezittingen had, moesten Brams ouders zich later zonder eigen vermogen zien te redden. Hun leven in de pastorie moet daarom vaak in het teken van fatsoenlijke armoede gestaan hebben. 39 In de brieven

die Bram als student aan Jo schreef, is regelmatig sprake van geldzorgen, niet alleen bij hemzelfmaarookbij senior. 40 Vandaarwaarschijnlijk dat zowel voor senior als voor junior geld altijd een belangrijke rol heeft gespeeld.

Zolang Bram thuis woonde, hadden hij en zijn vader ruimschoots gelegenheid tot botsen. Beiden waren persoonlijkheden die graag hun omgeving naar hun hand zetten. Pas na Brams vertrek naar Beesd werd hun verhouding meer ontspannen. Voor zover na te gaan, ontstond er pas weer een diepgaand meningsverschil tussen hen, toen Bram in 1868 in Utrecht het conflict over de kerkvisitatie aanging. 41 De vader maakte zich daarnaast zorgen over de gezondheid van zijn zoon. Toen Bram eind 1869 dusdanig overwerkt was, dat hij op Kerst niet kon preken en dat waarschijnlijk ook nieuwjaarsdag niet zou kunnen doen, schreef senior aan zijn schoondochter: 'Abraham heeft reeds een geruimen tijd te veel van zijn hoofd gevergd ... [door] de sterkte van zelfmisleiding [dat hij alles aan kan].... Dat het schrijven voor de Heraut hem op eens erger maakte is een wenk, die niet verloren mag gaan' , 42 Onduidelijk is of de kritiek op de twee maanden eerder aangevangen journalistieke activiteit van zijn zoon niet mede werd ingegeven door ongenoegen. Bram schreef namelijk bijna wekelijks over kerkelijk en politiek omstreden onderwerpen. Zelf behoefde senior zich de kerkelijke kritiek van zoonlief overigens niet meer persoonlijk aan te trekken: hij was met ingang van 1869 met emeritaat gegaan.

Het feit dat zijn zoon sinds 1870 in Amsterdam, 'het hoogste standpunt in de kerk', predikant was, vervulde de vader met trots. 43 Intussen bleven er onderhuids spanningen tussen hen bestaan. Brams moeder begon er over, toen haar man na lezing van de tweede prekenbundel van hun zoon een paar kritische opmerkingen maakte. Zij vertelde haar wederhelft hoe Bram met tranen in de ogen bij haar geklaagd had: 'Ik schrijf zoo veel en Vader spreekt er nooit een woord over'. In een brief van 13 april 1871 verweerde senior zich: hij had wel met Bram over z' n preken gesproken. Senior kon overigens wel begrijpen dat zoonlief dit vergeten was: omdat 'het alles behalve aangenaam is over zulke vurige ontboezemingen en roerende mystiek als voor de rechtbank van het koel verstand te staan'. Meer moeite had hij met Brams 'kerkelijk geschrijf, waartoe dan ook uwe strijdvoering behoort' . Dit was een terrein dat hem beslist niet aantrok, ook vroeger al niet: 'ik ben [daar] tamelijk vreemdeling gebleven'. Hij had bijna nooit in een kerkelijk bestuur gezeten en zich weinig bekwaam gevoeld als lid van een kerkeraad. Desondanks had hij ook wat dit betreft moeite gedaan Bram te volgen. Op diens Kerkvisitatie te Utrecht in

1868 had hij gereageerd met een brief van wel tien bladzijden quarto. 44 Nadat daarop taal noch teken gekomen was, had hij er maar het zwijgen toe gedaan, mede omdat hij zich vaak verwant voelde met Brams orthodoxe tegenstanders. Bram had dit ook wel eens als vermoeden geuit tegenover hem. 'Hieronder', aldus senior, 'lijden wij beiden, gij en ik. Maar zou het goed zijn deze wond dikwijls aan te roeren? ' Nog bij z'n jongste bezoek, in oktober 1870, had hij zich voorgenomen daarover met Bram te spreken. Maar diens 'zwakheid en neergebogenheid' hadden hem doen zwijgen. Hij had toen anders graag met hem gesproken over enkele stukken van Gunning en J.J.P. Valeton in de juist gestarte Protestantsche Bijdragen.

De brief heeft Bram bereikt op een moment dat hij bij zonder bezet was. Kort daarna stortte hij in en vertrok naar Zwitserland. Op 5 mei 1871 schreef senior hem opnieuw een brief. Hij was van zijn dochter Henriette, die toen in Frankfurt am Main woonde, gewaar geworden dat Bram zijn zus daar had opgezocht. Senior had alle begrip voor Brams plotselinge besluit om te gaan. Intussen had ook Bram hem uit het buitenland een brief geschreven, met een verrassende vraag: of hij eventueel een lidmaatschap van de Tweede Kamer zou kunnen aanvaarden? Senior, die niet gewend was dat de ander hem in veel kende, kon het niet laten argwanend te vragen: 'vraagt ge dit uit respect of is het u werkelijk om goeden raad te doen? ' Toch kwam hij met een serieus antwoord. Hoewel hij zich kon voorstellen dat een politieke loopbaan zijn getalenteerde zoon bijzonder aantrok, ried hij hem deze overstap sterk af, en wel om twee redenen. Ten eerste omdat junior toch Verbi Divini Minister was, en dan bovendien één die zich over zijn positie en invloed niet behoefde te beklagen. Vandaar het tweede argument: junior zou een dergelijke invloed niet kunnen doen gelden in de Kamer, waar zijn geestverwanten betrekkelijk weinig waren, waardoor hij dus op veel tegenspraak en miskenning moest rekenen, 'om van finantieel nadeel en hachelijke toekomst niet te spreken'. 45 Senior kwam tenslotte nog even terug op zijn vorig schrijven. Uit Brams brief was hem namelijk duidelijk geworden, dat zijn zoon amper de inhoud van dit epistel tot zich had laten doordringen. Ditmaal kon Bram de brief van senior in alle rust lezen in het vakantieoord Montreux. De lectuur ervan deed hem besluiten eerst naar zijn ouders in Leiden te gaan, alvorens hij zich weer in de beslommeringen van alle dag begaf. 46

Senior: een kritisch kind der volkskerk (16 april 1873)

Of senior en junior gedurende het voor de laatstgenoemde hectische jaar 1872 al dan niet veel contact met elkaar gehad hebben, is vanwege

het ontbreken van brieven niet te achterhalen. Erg intensief zal het contact in ieder geval niet geweest zijn, gezien de aanhef van de reeds genoemde brief van senior van 16 april 1873.

Kuyper senior gaat eerst in op twee werkjes die hij al eerder van Bram ontvangen had: een overdenking, 'De sneeuw van den Libanon' , die vlak voor Kerst 1872 in het blad De Zaaier was verschenen, en de preek over Vrijheid. Senior weet Bram op een keurige manier duidelijk te maken dat het lijden van Christus geen goedkope sensatie toelaat. Belangwekkend is de enthousiaste wijze - 'watertanden'waarop de in het ambt vergrijsde Kuyper reageert op de voorstellen van zijn zoon inzake een nieuwe opzet van plaatselijke gemeenten door middel van splitsing in kerspels en op diens verwijzing naar de Verenigde Staten: 'Daar is, wat hier moet worden'. Verrassend is dat senior blijkbaar eveneens over Franstalige informatie over Amerika kon beschikken: de ruime bezoldiging en het vakantiegeld, die door hem in zijn brief genoemd worden, komen namelijk niet voor in Brams preek! Opnieuw blijkt zijn belangstelling voor het financiële aspect van het predikantswerk. Zelf had senior trouwens op dat moment niet te klagen: hij genoot een pensioen van ƒ1650, - 's jaars. 47

Vader Kuyper, 'een kind der volkskerk' zoals hij zichzelf noemde, had dus niets tegen vrije kerken als zodanig. Wel wekte het zijn afkeer en verontwaardiging dat zijn zoon het verleden van die volkskerk onnodig zwart maakte. 'Zoolang de gemeente die valsche eenheid gezocht heeft', aldus Bram, 'is het een bijten en vereten geweest in Jezus Kerk, hem tot droefenis, haar tot smaad en schande. Van de reuke der liefde was weinig te bespeuren, en wat zich zoo noemde was meer kweezelende zoetsappigheid, dan liefde uit God. Vrome zin werd niet gekweekt.' 48 Senior beschouwt die woorden als een mistekening niet slechts van zijn eigen ambtswerk, maar ook van dat van zijn leermeesters, mannen als J. Clarisse, D.M. Kaakebeen en A.H. ter Hoeven. De genoemde personen typeren de 'ligging' van Kuyper senior. Voorop gaat de zowel in theoretisch als in praktisch opzicht breed en tevens hoog begaafde Leidse hoogleraar Clarisse, gewaardeerd leermeester niet alleen van bekende hervormde predikanten als N. Beets en J.P. Hasebroek, maar ook van de meeste 'vaders' der Afscheiding. Daarna volgen twee actieve Amsterdamse predikanten, die indertijd ook door het orthodoxe volk gewaardeerd werden. Het vijftal boeken, waaronder Xenofon, Vergilius en J.J. Griesbachs Novum Testamentum Graece, dat even later door Kuyper senior opgesomd wordt, scherpt het beeld van zijn karakter en ontwikkeling verder aan: de vroegere kantoorklerk kende en gebruikte zijn klassieken.

Bram, die in seniors ogen wel erg eigengereid optrad met zijn

scherpe oordeel over het ambtswerk van velen uit het verleden, dat van zijn vader incluis, deed dat volgens de laatstgenoemde ook ten opzichte van zijn zuster Henriette en haar man, C.M. de Bruyn Kops. Waarover junior met zus en zwager streed, wordt niet helder, omdat we Brams brief aan zijn vader missen. Wel is duidelijk dat evenals senior - die zich niet door zijn zoon als pater familias liet verdringen - en junior ook deze zuster op haar stuk kon staan.

Senior confidentieel (16 mei 1873)

Bram moet de brief van zijn vader uiterlijk 18 april ontvangen hebben. Hij was toen al weer enige tijd druk bezig met zijn gemeente, het schrijven voor zijn dagblad, De Standaard, dat nu in het teken stond van de komende Kamerverkiezingen, en - niet te vergeten-het opstellen van het tweede deel van de Confidentie. Op 25 april sloot hij de brochure af. Daarna wachtte een dubbele verhuizing. Kuyper kreeg een nieuwe predikantswijk (op de Oostelijke eilanden in plaats van de Westelijke) en een nieuw huis. Ultimo april moest hij zijn huurhuis aan de Keizersgracht verlaten hebben. Per 1 mei zou hij de trotse bewoner zijn van een eigen huis, 'De Saphyrberg' aan de IJgracht, dat hem in 1871, op initiatief van notaris G. Ruys, een kleinzoon van seniors vroegere baas, door zo'n 190 gemeenteleden geschonken was. 49 Ondanks deze besognes maakte hij tijd vrij voor een brief aan zijn vader. Uit diens reactie valt af te leiden dat Bram op dat moment bijzonder open moet zijn geweest.

Kuyper is, zo blijkt, ten tijde van het ontstaan der Confidentie niet alleen in strijd gewikkeld geweest met de buitenwacht, maar ook met twee leden van de eigen familiekring die in religieus opzicht zijn 'antipoden' waren: zijn zuster Henriette, die ruim een jaar ouder was dan hij, maar vooral zijn enige broer, Herman, die zes jaar jonger was. Herman, die in Breda en aan de Polytechnische School te Delft gestudeerd had, en nu als officier in Nederlands-Indië diende, was al in patria onder invloed van Multatuli van het geloof vervreemd. In Indië scheen dat nog sterker te worden. Bram had het er zwaar mee, niet slechts omdat het heil van zijn broer hem zeer aan het hart ging, maar ook omdat - zoals zijn vader scherp observeerde en dat ook in later jaren nog vele malen zou uitkomen-hij het maar moeilijk kon velen dat mensen die hem na stonden anders dachten dan hijzelf. De relatie tot zijn broer, over wie hij in die tijd tevens correspondeerde met L.W.C. Keuchenius in Batavia 50 , moet een belangrijke factor zijn geweest voor de gedrevenheid, die uit de hele Confidentie spreekt. Kuyper kende de kracht van het ongeloof van nabij en wilde die pareren.

Een aantal dagen na Brams brief heeft senior de Confidentie onder ogen gekregen. Het begin ervan interesseerde hem als oud-Amsterdammer bijzonder. Hij staat ditmaal aan de zijde van zijn zoon in diens strijd met de moderne collega G. van Gorkom, onder meer over het karakter van de catechese in het Amsterdamse weeshuis. Eenmaal toegekomen aan het autobiografische deel, voelde senior zich evenwel niet alleen publiekelijk voor schut gezet, maar ook geraakt in zijn vader-zijn. Treffend is dat vader en zoon al die jaren dat ze onder één dak woonden, en ook gedurende juniors arbeid te Beesd, kennelijk toch zo vreemd voor elkaar zijn gebleven, dat zij nooit open over de achtergrond en de motieven van de veranderingen gesproken hebben die zich bij de laatstgenoemde voltrokken. Zij hadden, zoals senior zelf moet toegeven, tot dusver 'nooit eenige gemeenschap des geestes' gekend. Ondanks dat blijft de situatie onbegrijpelijk. Het is namelijk niet voor te stellen dat senior nooit iets zou vernomen hebben van de moeilijkheden die Bram in Beesd ondervond: zijn botsing met de 'malcontenten' daar. Voorzover dit uit zijn preken is op te maken bereikte de confrontatie tussen de bedoelde gezelschapsleden en Bram in april 1865 haar hoogtepunt. Hun pogingen om 'op kunstmatige wijze vroomheid op te wekken' betitelde hij toen openlijk als 'een ziekelijk verschijnsel', een uitvloeisel van het Engelse methodisme. In maart had Bram nog enige tijd bij zijn ouders in Leiden gelogeerd en in juni verbleef zijn vader bij hem in Beesd - en toch was senior geheel onwetend? Of - en dat is de andere mogelijkheid - het beeld van 1873 is zozeer product van latere duiding door Bram, dat dit voor senior onherkenbaar bleef! 51

Het zegt iets van het vroomheidstype van de vader, en dus ook van de sfeer waarin Bram is opgegroeid, dat het bekeringsverhaal als zodanig door senior niet als iets vreemds ervaren wordt. Integendeel, Kuyper senior weet Brams spreken over 'de vinger Gods' te waarderen. Zijn eigen en pastorale ervaring doet hem zelfs zeggen: 'ik acht het eene bekeering van den echten stempel' , 52 Dit oordeel zal mede ingegeven zijn door hetgeen senior zich wel wist te herinneren uit de studiejaren van zijn zoon: diens toenmalige 'inclinatie tot het moderne'en met name hun gesprek uit 1860 over de axiopist(iaxiopistia), de geloofwaardigheid van de bijbel, die op haar beurt berustte op de aantoonbare betrouwbaarheid van de bijbelschrijvers. De herinnering van J.F. Kuyper strookt in dit geval niet alleen met wat junior in 1873 meedeelt over zijn 'onbekeerd[e]' staat, maar vooral ook met wat Bram eind februari 1860 aan Jo schreef over de betrouwbaarheid van de bijbel. Daarbij is opmerkelijk dat senior, die toch anders Brams literaire productie kritisch volgde, geen enkele opmerking maakt over

de door zijn zoon genoemde termijn van diens belijdenis! Verdriet over hun wederzijds onvermogen om eikaars diepste gevoelens te delen, brengt de vader tot een ontroerende poging de afstand tussen Bram en hem zo zuiver mogelijk onder woorden te brengen. Hij beschouwt zich nog wel als orthodox gereformeerd, maar niet meer zo strikt formeel als hij ooit begon en Bram nu blijkbaar wil zijn. Om zijn blijvende verwantschap met de orthodoxie te demonstreren wijst hij tevens op zijn recente steun aan de anti-revolutionair Jhr I. Cremer van den Berch van Heemstede, die 22 april 1873 voor Leiden in de Tweede Kamer kwam. 53

Dat Kuyper senior de eigenaardigheden van zijn zoon kende, komt tevens tot uitdrukking in wat hij bij het verzenden van de brief van 16 mei met vette letters boven het geheel schreef: 'Lees wanneer Gij vrij en kalm zijt'. Toen Bram en en zijn vrouw 20 mei met een grote kist sigaren en een Grieks Nieuwe Testament in helder lettertype op seniors verjaardag kwamen, moest deze evenwel tot zijn teleurstelling constateren, dat de inhoud van de brief, waar hij zich - mede vanwege zijn slechte gezichtsvermogen-toch de nodige inspanning voor getroost had, nog maar half tot zijn zoon was doorgedrongen. Het stuk was te lang geweest voor iemand die 'over weinig tijd te beschikken' had. Wel had Bram tijdens de visite verzekerd het bewuste gedeelte over de Leidse 'haspelarijen' beslist 'niet geschreven te hebben zonder aan mij [senior] te denken'. 54

Niet de minste twijfel

Welke conclusies zijn uit het bovenstaande te trekken? In de eerste plaats dat de Confidentie niet gelezen dient te worden als een apologie, zoals Stellingwerff wil, maar als Kuypers manifest dat hij na een periode van bezinning weer geheel terug was in de strijd over de toekomst van de kerk in de Nederlandse samenleving. 55 Toevallig of niet: de brochure verscheen juist op de dag dat hij 'De Saphyrberg' betrok, het trouwsymbool van een vaste kern van volgelingen.

Het zelfportret weerspiegelt hoe hij zich op dat moment zag en ook - voor het eerst!-publiekelijk wilde tonen: de door God geroepen en toebereide leider om de kerk op te richten uit haar nood. Kenmerkend zijn de woorden waarmee hij het verhaal van zijn bekering, dat veeleer een verhaal van zijn roeping is, inleidt: 'Aandachtig zelfonderzoek, gepaard aan de herinnering uit diep bewogen dagen, gunt mij dan ook niet den minsten twijfel, of de gebondenheid van mijn hart aan het Kerkelijk vraagstuk, moet uit de eigenaardige indrukken van die fel bewogen periode mijns levens worden verklaard'. Kuyper heeft gedurende en direct na de periode van overspanning naar absolute ze-

kerheid gezocht. Dat blijkt niet alleen uit de door mij gecursiveerde woorden, maar ook uit de discussie met Gunning over het Schriftgezag. 56 In een zelfbeeld zonder twijfel passen geen 'herinneringen' aan een verleden van rusteloze activiteit en plannen maken, afgewisseld met kortere of langere perioden van overspanning, met daarbij nog de nodige mislukkingen. Bij elk van de drie in de Confidentie vastgelegde 'herinneringen' behoorde immers een mislukking. De bij contract toegezegde biografie van A Lasco en de Geschiedenis van de kerken onder het kruis waren nooit geleverd. De met het Utrechtsch genootschap gemaakte afspraak over een meerdelige bronneneditie had Kuyper moeten opzeggen. Tenslotte: het in 1867 in Beesd ingevoerde kiescollege was in 1871 met grote meerderheid van stemmen door de manslidmaten opgeheven. Kuyper had daar zijn opvattingen niet blijvend door kunnen zetten, evenmin als later in Utrecht of nu in Amsterdam. Of al deze kwade herinneringen tijdens het schrijven bij hem verdrongen waren, valt niet te achterhalen. Ze zijn in ieder geval niet (om het in zijn eigen woorden te zeggen) 'naar den voorhof... uitgedragen'; ze bleven achter 'het voorhangsel' dat hij 'om het teedere van het onderwerp' niet wenste weg te nemen. Puchinger heeft zich kennelijk zo door Kuypers zelfbeeld laten imponeren, dat hij dit laatste niet heeft opgemerkt. 57

Dat Kuyper het verhaal van zijn roeping als een bekeringsverhaal brengt, past in de traditie waarin hij is opgegroeid. In feite was dit zijn tweede bekering; hij had immers ook als kind al een bekeringservaring gehad. Dat de 'herinneringen' mede gekleurd zijn door ervaringen in het recente verleden, bewijst hetgeen hij in het beeld van Beesd over Calvijn schrijft: 'Calvijn had een kerk gesticht, en door dien vasten kerkvorm zege en vrede in de ontvankelijke gemoederen weten te spreiden, onder alle natiën van Europa en over zee [lees: in Amerika]'. Hier klinkt door wat hij pas een maand eerder bedacht had en dat nog voor het eind van 1873 vorm zou krijgen in een lezing over 'Het Calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden' . De schildering van de situatie in Beesd zou daarnaast wel eens beïnvloed kunnen zijn door een al langer bestaand schablone: dat het 'afgeronde' van het calvinisme dit stelsel zeer geschikt maakte voor de lagere volksklasse. 58 Deze nieuwe verbeelding van hetgeen zich een kleine tien jaar eerder in zijn eerste gemeente had afgespeeld, verklaart ten dele de moeite die Kuyper senior had om iets van het door Bram verhaalde te herkennen.

Tot dusver ga ik vooral uit van zelfmisleiding bij Kuyper: zo heeft hij zichzelf willen zien na afloop van enkele maanden van overspanning en heroriëntatie. Het niet passende werd achtergehouden, be-

wust of onbewust. Voor het laatste pleit dat men zich niet kan voorstellen dat Kuyper in de drukke aprilmaand van 1873, toen hij allang weer allerlei andere zaken aan zijn hoofd had, nog eens de moeite genomen heeft zijn herinnering te toetsen aan de bronnen. Evenmin als hij tijd nam om de brieven van zijn vader grondig te lezen - ze waren kennelijk niet zo belangrijk voor hem als die van zijn geestelijke vader Groen, die door hem gespeld werden!-, zal hij tijd genomen hebben om de meer dan 450 brieven tellende correspondentie uit zijn verlovingstijd nog eens door te nemen. Een goed voorbeeld van onbedoelde onnauwkeurigheid is de onjuiste mededeling dat De Vries hem in 1858 op de Groninger prijsvraag wees: het opgeroepen beeld wordt er zeker niet sterker door. Stellingwerff, die de Kuyper van 1859 en kort daarna met die van 1873 confronteert en daarvoor gebruik maakt van de correspondentie met Jo, heeft zich geen rekenschap gegeven van de omstandigheden waaronder de Confidentie geschreven is. Het is heel goed voorstelbaar dat in Kuypers herinnering van begin 1873 de vondst van Lasciana bij De Vries sr voor hem veel aangrijpender was, dan hij vlak na het gebeurde per brief aan zijn verloofde meedeelde. Dit behoeft niet als 'geraffineerd' te worden uitgelegd. Per slot van rekening was deze gebeurtenis - achteraf bezien-het begin van zijn carrière! Ook op Stellingwerffs kritische benadering van Kuypers mededeling, dat hij met het doen van zijn belijdenis wachtte tot 'den uitersten termijn' voor het proponents, valt het nodige af te dingen. Volgens Stellingwerff diende dit 'om daarna met meer verve zijn bekering te vermelden'. Het is evenwel een onmiskenbaar feit dat Kuyper betrekkelijk laat belijdenis aflegde: hij was op dat moment bijna negentien en een halfjaar. Ter vergelijking: zijn verloofde was bij haar belijdenis net zeventien; zijn collega J.H. Gunning jr werd ook kort na zijn zeventiende lidmaat. 59 Daarnaast kan aan de hand van de oudste bron die we aangaande Kuypers plannen bezitten - een brief aan Jo van eind januari 1859-worden vastgesteld dat Bram toen 'stellig nog in 1860' wilde preken. 60 Zo vreemd is de mededeling dus niet, al heeft Kuypers herinnering hem ook hier bedrogen. Tussen 1857 en 1860 ligt immers driejaar en niet de 'uiterste termijn' van twee jaren. De mededeling wordt pas dan echt verdacht als men, zoals Stellingwerff doet, redeneert vanuit de situatie die pas na de Groninger prijsvraag ontstond. Stellingwerff had evenwel moeten bedenken dat Kuyper met een dergelijke voorstelling van zaken een zeker risico liep. Niet alleen zijn vader had zich makkelijk kunnen realiseren dat de mededeling ver bezijden de waarheid was, maar bijvoorbeeld ook iemand als Kuypers collega E. Laurillard, die destijds predikant in Leiden was. 61

Met de bovenstaande opmerkingen wil ik niet beweren dat Kuyper in zijn voorstelling van zaken geen rekening heeft gehouden met degenen voor wie hij schreef. Dat zou bij deze geboren journalist en politicus onmogelijk zijn. Maar dan is het wel van belang goed te onderscheiden wie zijn eerste adressaten waren. Dat waren niet, zoals Van den Berg meent, de gereformeerden, 62 maar de gevestigde erfgenamen van het Réveil. Dat blijkt uit de keuze van blad en uitgever. Kuyper repliceerde niet in zijn eigen krant De Standaard, maar in het Réveilblad Christelijke Stemmen', voor de brochure nam hij niet zijn vaste uitgever H. de Hoogh & Co., maar de in Réveilkring gerenommeerde Höveker. Groen noemde dat tegenover hem 'een greep uwer scherpzinnigheid waard'. 63 In de eerste plaats tot de Amsterdamse leden, waarvan er veel aan de grachten woonden, richtte Kuyper zijn oproep dat 'de hooge geslachten uit den Réveil' hun neiging tot conservatisme zouden laten varen om vervolgens te kiezen voor de door hem aangevoerde 'Democraten', 'de strengere broeders uit de kleinere burgerij'. Hun 'edele toewijding', die eerder de kleine burgerij en lagere klassen 'onmondig en onbekwaam' had helpen houden, zou anders gericht moeten worden. Toen hij dit schreef, was Kuyper op vijf minuten lopen afstand verwijderd van de stegen waar zijn vader vandaan kwam. Zeker wist een aantal van hen tot wie hij zich richtte nog van het geld dat gegeven was om die vader te laten studeren. Junior had eveneens ooit geld van één der grachtenbewoners ontvangen voor zijn studie. 64 Ook thans ontving hij regelmatig steun van enkele bemiddelde Amsterdammers. Het hoge zelfbeeld dat Kuyper vastlegde, zou daarom wel eens mede gevormd kunnen zijn door de behoefte zijn afkomst uit de kleine burgerij, die in Amsterdam meer dan in zijn vroegere gemeenten tastbaar werd, te compenseren.

Ten slotte

Zoals hij zijn jarige vader verzekerde, heeft Kuyper, wellicht ook vanwege de strijd met zijn zus en broer, bij het schrijven van zijn zelfportret nagedacht over hetgeen hij thuis in Leiden meemaakte en over de relatie tot senior. Dit verklaart tevens de openheid van de brief waarmee hij eind april zijn vader verraste. De donkere achtergrond van de drie 'herinneringen'verdient daarommeer aandacht dan hij tot dusver ontvangen heeft. Augustijns samenvatting van het verhaal over de Leidse 'haspelarijen' - 'Daar betekende "kerk" kleinzielige ruzies over onbenullige kwesties'-schiet te kort. 65 Het ging om meer: in Leiden zijn zaken aan de orde geweest die ook in het latere leven van Kuyper een grote rol zouden spelen. Nader onderzoek van de 'haspelarijen' en in het bijzonder van de rol van Kuyper senior daarin,

zou nog wel eens meer licht kunnen werpen op de levensloop van junior. Heeft Bram zich misschien al jong voorgenomen, nooit te laten gebeuren wat zijn vader in Leiden overkwam; wilde hij het ook in dit opzicht beter doen dan hij ? Het geeft in ieder geval te denken dat de Doleantie van 1886 geleid werd door twee mannen, die beiden de 'haspelarijen' van dichtbij thuis hadden meegemaakt: Kuyper en F.L. Rutgers. 66 Er is nog een tweede zaak die aandacht verdient. De Confidentie als geheel is een eigentijdse loot aan de oude stam van de in bevindelijk-gereformeerde kringen geliefde bekeringsgeschiedenissen. Het zou de moeite waard zijn dit stuk te vergelijken met zijn 'moderne' pendanten, die in het voorafgaande decennium opgang hadden gemaakt: 'bekeringsgeschiedenissen' als die van de predikanten A. Pierson en Cd. Busken Huet, die hun ambt hadden neergelegd en de kerk verlaten. Tegenover hun getuigenissen, en misschien ook die van anderen uit die tijd, heeft Kuyper met verve het zijne geplaatst: waarom en hoe hij zich geroepen wist de kerk niet als een achterhaald instituut te verlaten, maar haar met alle hem ten dienste staande middelen op te richten uit haar nood. 67

J.F. Kuyper aan A. Kuyper, 16 april 1873

Waarde Abraham!

Een brief van elkaar te ontvangen is tegenwoordig een verrassing en kan zelfs een gevoel van onrust geven, of er ook iets buitengewoons zou hebben plaats gehad. Terstond wil ik u zeggen, dat niets hiervan aan is en tevens dat, zoo u deze regelen op een tijd van volhandigheid mochten toekomen, er volstrekt geen periculum in mora 68 is. Och, neen, ik heb slechts een en ander met u te bespreken, omdat ik eens met u praten wil.

Heb dank voor de twee producten van uwen geest mij onlangs toegezonden, 'De sneeuwval! !j van den Libanon' en de preek ter bevestiging van Dr van Ronkel. 69 Het eerste is een keurig, overkeurig stukje, waaraan kennelijk zorg en vlij t besteed zijn. En die sneeuwval van God uitgegaan om het aardrijk te bevochtigen en vruchtbaar te maken, is inderdaad een zuiver en liefelijk beeld van den hoogsten zegen die in en met Christus uit den hemel voor de menschheid is neergedaald. Gij ziet dus dat dit stukje mijne volle sympathie heeft, behoudens een enkele aanmerking van ondergeschikt belang op de tweede, kleine helft. Toen ik daar las, dat het Lama van den grooten kruislijder de smartkreet van den sneeuwval was, 70 kwam de gedachte in mij op, laat mijn zoon toch de wacht houden over zijn vernuft!

Met geen minder belangstelling heb ik de bevestigingspreek gelezen. Of zij ad captum maximae partis auditorum 71 was komt er bij zulk een gelegenheid minder op aan. Dat zij even goed voor een verhandeling zou kunnen gelden doet bij de lezing geen 't minste kwaad. [2] Uw pleit voor vrije kerken, waarvan ieder uit geestverwanten bestaat, is hoogstgewichtig en krachtig tevens. Ofschoon ik een kind der volkskerk ben, acht ik alleen den door u gewilden toestand gezond. Het ideaal op bl. 22 door u geschetst kan mij doen watertanden. 72 Uw beroep op Amerika heeft mij aangezet om wat ik er vroeger over gelezen had te herlezen. Dit heeft denzelfden indruk op mij gemaakt. En wat doen die gemeenten voor hare leeraren? Een bezoldiging van 15 a 20.000 francs, zelfs 20 a 30.000. En dan nog de middelen om tot opwekking van geestkracht een buitenlandsehe reis te doen. Inderdaad, Amerika bewijst dat het idee van vrije kerken geen hersenschim is. En tevens blijkt daar wat de leden van zulke gemeenten over hebben voor het Koningrijk Gods. Zou dit ideaal op onzen bodem ook verwezenlijkt kunnen worden? Wat in Amerika oorspronkelijk was, zou dat hier door splitsing der volkskerk kunnen worden teweeg gebracht? De geestdrift die daar reactie van vervolging was, is zij ook hier te hopen, waar in de volkskerk zoo groote vrijheid heerseht? Ik acht mij niet in staat deze vragen te beantwoorden.

De laatste alinea op bl. 17 is voor mij een raadsel. 73 Moet hetgeen daar voorkomt verstaan worden van de volkskerk gedurende al de eeuwen van haar bestaan? Dus ook van den tijd, dien ik doorleefd en waarin ik het evangelie bediend heb? Maar ik heb toch een liefde gepredikt en zoo dikwijls hooren prediken, die spruit is van het geloof aan de liefde Gods in Christus. Vroomheid, innige vroomheid, het wandelen met God in den geest aan te kweeken was [3] steeds mijn doel, en door anderen, die het deden ben ik tot in den grond van mijn gemoed gesterkt geworden. Ik denk aan Clarisse 74 , Kaakebeen 75 , Ter Hoeven 76 en anderen aan wie ik voor mijn christelijk leven zooveel te danken heb - en dan blijf ik, zelfs na een derde en vierde lezing twijfelen, of ik u wel begrepen heb.

De meening kan toch niet zijn, dat de volkskerk en het zoeken van uitwendige eenheid, qua talis en uit zijn aard geen ware liefde, noch vroomheid kweekt?

En nu nog een woord over onze Henriette 77 , die treurige geschiedenis, indien zij maar niet nog treuriger wordt door verwijdering der harten in den boezem onzer familie. Ik heb haar uwen brief toegezonden en getracht haar te doen gelooven, dat liefde uwe pen bestuurd had. Zij heeft mij geantwoord, dat uw schrijven haar ondragelijk hard viel. Zijzelve zou aan u schrijven en Kops ook. Wat zij geschreven hebben en hoe dat u heeft aangedaan, weet ik niet. Nogmaals heb ik aan haar geschreven en gezocht haar neêr te zetten. Ik kan begrijpen dat het gebeurde u leed doet gelijk ons, en dat gij er te gevoeliger voor zijt na de vruchtelooze opoffering, die gij om harentwil gedaan hebt. Maar mag ik mij geheel bij u uitspreken, dan had ik wel gewenscht, dat gij een zaak, die de geheele familie betreft, aan mij als haar hoofd en middelpunt hadt overgelaten, of, zoo dit noodig door u geacht werd, mij aangespoord hadt, om tot mijne dochter het woord te richten. Mij dunkt, dit was en de orde geweest en in overeenstemming met uw eigen begrip van het ouderlijk [4] gezag. Juist daar heeft dan ook bij Henriette de schoen gekneld. Zij is niet te hoogmoedig geweest om niet te willen belijden, dat zij schuldig voor God en menschen was, maar er bij gezegd, dat zij deze belijdenis en de geheele verklaring van het gebeurde alleen aan hare ouders geven kon. Later wil ik haar nog eens vragen of ik dit een en ander aan broeder en zusters mag meêdeelen.

Nu nadert voor u de tijd van verhuizing. 78 Wel een zaak voor u en Johanna om er tegen op te zien. Wordt beide gesterkt, en dan wensch ik u goede hulp toe. Ik vind het een gelukkig denkbeeld om de overbrenging van uw bibliotheek aan een boekverkooper op te dragen. En daarvan zoek ik voor mijzei ven partij te trekken, gelijk aan al het menschelijke meer of min eigen belang kleeft. Ei draag uwen agent op om eens te letten op de volgende boeken, die ik graag hier had. 1° Vergilius Aeneis 2 e deel. 2° Xenofontis Memorabilia. 3° Gall, tabel der Alge meene Geschiedenis. 79 4 [o1 Tollens, Liedjes van Claudius. 80 Wat hiervan gevon den wordt, zend mij dat s.v.p. toe. En kunt ge mij ook helpen aan een grieksch N[ieuw] T[estament] met duidelijke letter? Ik bezit alleen Griesbach en die druk is mij te flaauw. 81

Ziezoo, nu heb ik weer eens met uw[!] gepraat en dat is beter dan dat ik over u in mijzelve praat. Wees van ons allen gegroet, gij niet alleen maar ook Johanna en de kinderen, en geef aan het jongste goedje zoenen van ons allen. Adieu, mijn zoon, wees in alles en tot alles Gode en Zijne genade en Zijn' geest bevolen door

L[eiden] 16 april 1873

Vader K

J.F. Kuyper aan A. Kuyper, 16 mei 1873

(Lees wanneer Gij vrij en kalm zijt)

Waarde Abraham,

Meer dan ik uitdrukken kan, voelde ik mij aangenaam aangedaan door het begin van uw laatste schrijven. Sympathetisch noemdet gij het mijne, dat was voorafgegaan. O, ik twijfel geen oogenblik of uwe ziel dorst naar sympathie met uwen Vader. In uw afscheid van Utrecht las ik eens, dat gij daar geleerd hadt, wat het beteekent geestverwanten te hebben, 82 en waar zoudt gij ze liever hebben dan onder uwe bloedverwanten. Dezelfde brief van u, waarop ik thans bezig ben te antwoorden, doet het sterk uitkomen hoe uw hart er onder lijdt, dat er een broeder en een zuster 83 is, die gij op godsdienstig gebied als antipoden moet beschouwen. Zie, juist daarom dat uw hart zooveel behoefte aan sympathie heeft, hecht ik aan uwe hierboven herinnerde betuiging zooveel waarde. Want, voorwaar, aan mijne zijde wordt die behoefte niet minder, neen, ruim zoo sterk gevoeld. Ik ben jong geweest en oud geworden en kan uit ervaring zeggen, dat een vader in dit opzicht boven den zoon staat. O, ik hoop, dat het bij dit ééne punt van samenstemming tusschen ons niet zal blijven. Veel liever wil ik zien op hetgeen ons vereenigt, dan wat ons scheidt en het is mij een troost te mogen gelooven dat wat ons vereenigt niet onbeduidend is en in de weegschaal der hoogsten rechtbank niet te ligt zal bevonden worden.

Spoediger had ik gedacht u te antwoorden, maar daar kwam de Confidentie 84 en deze wilde ik vooraf lezen. Heb dank voor de toezending. Ik heb ze gelezen tot bl. 49. Waarom nog niet verder zal u later blijken. En wat ik er nu van zeg? Dat alles mij zeer geïnteresseerd [2] heeft en dat een goed deel ervan mij welkom was. Ja, welkom was mij de gelegenheid om in uwen werkkring als rond te gaan en de groote taak, die voor uwe rekening ligt, als op mijne hand te kunnen meten, al wekt het dan ook mijne bekommering of gij den last altijd zult kunnen dragen. Heb ik u wel begrepen, dan is er toch eenig uitzicht in het verschiet, dat ge van het redacteurschap zult kunnen afstand doen. 85 Welkom was mij ook het licht door u over de weeshuis-quaestie verspreid en ik moet bekennen, dat er vóór uw gedrag in dezen veel te zeggen valt. En dan was en blijf ik ook zeer tevreden met de wijze waarop ge met v[an] G[orkom] afgerekend hebt. Gaarne geef ik u de eer, dat ge zijne onredelijkheid met waardigheid beantwoord hebt. Nu hij 't zoo gemaakt heeft, dat men u de lezing van zijn stuk ontraden moest, heeft de man zijne pijlen in de lucht geschoten. 86 - Intusschen ligt er voor mij over uwe Confidentie een nevel, daar ik het stuk in de Vereeniging, waarop zij repliceert, niet ken en ik alzoo niet weet, wat u tot het ontwerpen van die gedachtenreeks, tot zooveel intimiteit en vertrouwelijkheid tegen over den Heer v[an] d[er] Linden aanleiding gaf. Dit is echter niet onmisbaar om uw meening overal te verstaan. Ten overvloede zal ik hier nog wel het bedoelde opstel uit de Vereeniging kunnen machtig worden.

Tot hiertoe was het weder te schrijven aan u mij gemakkelijk en aangenaam. Zoo is het niet met alles wat nu volgen moet. Maar zal ik dit terughouden en den stroom die in mijn binnenste op en neder gaat daar besluiten? Kan er liefde en vertrouwen tusschen ons bestaan [3] zonder openhartigheid? Ik weet dat deze hare grenzen heeft en ik wil ze eerbiedigen. Mocht ik mij onverhoopt aan de

kieschheid bezondigen, zeg het mij vrij en het poenitet 87 zal mij niet zwaar vallen. Doch gij hebt geen oppositie of kritiek van mij te wachten, alleen een weemoedige expectoratie en gij weet wel dat de ouderdom tot weemoed overhelt.

Ik was dan tot bl. 34 gekomen en tot aan den voet van bl. 35 genaderd. Hier deden uwe woorden een uitwerking op mijn gevoel, die gij niet gewild heb[t]. Of uw oordeel over de haspelarijen te Leiden geheel juist is, komt er minder op aan. Maar de bladzijde in haar geheel doet mij, ach, zoo pijnlijk aan. Ik voelde een innerlijke ontroering en was op het punt te gaan schreien. Wel verloor ik niet uit het oog, dat er alleen sprake was van uwe aanraking met den kerkelijken toestand, maar dit bracht mij geen verzachting aan. De vraag kwam telkens terug: 'wat moet nu wel het publiek van mij denken, die 20 jaren lang predikant en lid van den kerkeraad te Leiden was. Wat moet het denken van mijn betrekking tot u en de vervulling van mijn vaderplicht? ' Kon ik nog maar veronderstellen, dat gij aan mij niet gedacht hebt. Integendeel geloof ik, dat het u een groot genoegen zou geweest zijn mij uit dien algemeenen schipbreuk te redden, maar dat uwe oprechtheid en waarheidsliefde u dit niet toelieten. Juist dit gaf mij smart, niet alleen, zelfs niet het meest om de publieke opinie, maar om mijzelven, om de ernstige vraag die hier tot mijne conscientie kwam. Ik hoop, dat gij zonder nadere opheldering u in den toestand van een 72-jarigen vader verplaatsen en mijne ontroering zult kunnen begrijpen. Ik leidde[!] mijne bril op het boek neder en moest de lezing staken.

[4] Toch heb ik ze, na verloop van een paar uren, hervat. Uit de eerste regels van 't vervolg, had ik met een vluchtigen blik bespeurd, dat hier de geschiedenis uwer jeugd en met name de geschiedenis uwer bekeering tot Christus, aan de orde was. Hoe kon het anders of dit trok mij onweerstaanbaar aan. Het was tot nog toe een gesloten boek voor mij geweest. Ontmoette ik iemand, die mij verklaring vroeg van de verandering, die bij u plaats gegrepen had, dan moest ik de schouders ophalen of een gissing aangrijpen. Ik ben blijde, dat de sluijer voor mij is opgeligt, ofschoon ik niet ontveinzen kan er eene schaduwzijde in te zien, dat ik hierin met den Heer v[an] d[er] Linden, of eigenlijk met het publiek ben gelijk gesteld. Houd dit nu niet voor een zet of steek, maar vraag uzelven af, of ik geen reden heb mij hierover te beklagen. Ik voel na de lezing der Confidentie meer dan ooit er behoefte aan, om openhartig mijne gedachten voor u bloot te leggen, en waar sympathie gemist wordt, ten minste op een voet van vertrouwelijkheid met u te staan. En welk een indruk heeft nu het breed relaas, de allerintiemste beschrijving van uw gemoedsleven op mij gemaakt? O, ik moet zeggen, dat gij er in mijne schatting door gerezen zijt. Er heerscht een geest van ootmoed in, die u eer doet. Ik vind den voortgang en ontwikkeling van uwe geestelijke vernieuwing geheel natuurlijk, in zoover als zoo iets natuurlijk verklaard kan worden. Waar ik een vraag lees, of dit niet de vinger Gods is, spreek ik mijn Amen uit, en verre, zeer verre sta ik van hen, die de schouder ophalen en vragen of zulke kleinigheden hier te pas komen. Wel heb ik eene crisis gelijk de uwe niet doorleefd en ik kon haar niet doorleven, niet omdat ik van groote gebreken zuiver gebleven ben, maar omdat hiertoe nooit behoord heeft, ik durf niet zeggen de ijdelheid, maar: gevoel van zelfgenoegzaamheid en overmatig zelfvertrouwen. Nogtans heb ik u volkomen verstaan en ik ben door uwe expositie tot de diepte van uw innerlijk leven ingeleid en ik acht het eene bekeering van den echten stempel.

[5] Over zulk een gezegenden ommekeer in 't hart van den zoon moet het vaderhart zich verblijden, hoe en waardoor ook zij is tot stand gekomen. En ik heb er dubbele reden toe, daar bij mijn zoon vroeger een inclinatie tot het moderne bestond, die wel in scepticisme en ongeloof had kunnen eindigen. Nog altijd herinner ik mij ons gesprek in 1860 op de straat van Bloemendaal over axi op i s tï éi ij ziet alzoo dat ik uwe levensgeschiedenis toejuich. Maar wie is geheel zuiver van egoismen? Wie kan het onverschillig zijn of hij tot een gezegend resultaat al dan niet iets, zij het ook weinig en als uit de verte heeft bijgedragen, of ten minste een voorbereidenden invloed heeft uitgeoefend? En is het dan niet verklaarbaar, dat mijn hart een treurig ledig voelde, toen ik niets, geen zweem of schaduw hiervan had kunnen bespeuren? Het was mij na de lezing alsof er tusschen ons nooit eenige gemeenschap des geestes had bestaan. Ook kan ik mij inderdaad geene proeven hiervan herinneren. Wij willen nu niet vragen aan wien de schuld hiervan ligt: aan ons beide[n], of aan één van ons, of zelfs aan mij. Maar het is dan toch eene allertreurigste zaak, die mij zwaarder drukt, hoe ouder ik ben geworden. En nu blijft nog de vraag over, of die gemeenschap thans bestaat. Er is iets tot stand gekomen in onze versche correspondentie en door ditzelfde schrijven zoek ik haar aan te wakkeren. Met goede hope doe ik zulks, wetende dat de zaak u zoowel als mij ter harte gaat. Het is mij op dit oogenblik alsof ge voor mij staat en ik u zeggen hoor 'Vader, doe de besliste keus, die ik onlangs Jeannette 89 heb toegewenscht, word van één gevoelen met mij en mijn geestverwant in het geloof. Wanneer ik u als deelgenoot van mijn rijkdom en mijn geluk mag begroeten, het zal mij dubbel rijk en gelukkig maken'. O, ik weet, dat gij dit uit 't hart gezegd hebt en uwe liefde verkwikt mij het eigen hart. Wat zal ik er op antwoorden? Gij bezit te veel psychologie, mijn zoon, om niet te weten, dat hiertoe meer dan een momentaneele [6] vrije keuze afhangt. Ten tweede komt hier in aanmerking dat ik vroeger en jaren lang geheel en al der orthodoxe richting toegedaan was, doch allengs enkele deelen uit overtuiging heb moeten prijsgeven, zonder evenwel wat naar mijn inzicht essentieel en voor het geestelijk leven onmisbaar is, te laten glippen. Ik geloof met u den levenden, persoonlijken God, ik denk eenstemmig met u over Gods heiligheid en liefde, ik heb dezelfde begrippen als gij over zonde en genade, over christelijke] deugd en het beginsel waaruit zij ontspruiten moet, conform antwfoorjd 64 van onzen Catechismus. Ook zijn de orthodoxen van den echten stempel de menschen, die mij het meest aantrekken en met wie ik in praktischen zin het best overeenstem, waarom ik dan ook onlangs voor den Heer v[an] d[en] Berch van Heemstede 90 bij herhaling partij heb gekozen. O, ik verheug mij tegen over u, dat ik deze belijdenis doen kan en zoo dicht tot u naderen. Ik weet welke punten van verschil er overblijven. Maar ik kan ook met u uit volle oprechtheid betuigen, dat de oorzaak hiervan niet gelegen is in eenigen hoogen dunk van menschelijke of eigene wijsheid en dat ik mij met u ten diepste nederbuig om alleen in Gods genade te roemen, nu nog even klein in mijzelven als toen ik te Middelburg mijn intrede deed met het woord van Paulus 'door de genade Gods ben ik dat ik ben'. Zeer goed begrijp ik dat alles u nog niet bevredigen kan, maar toch durf ik hopen, dat het van eenige waarde en beteekenis zal zijn. Gij kunt hieromtrent bij correspondentie in geene bijzonderheden met mij treden. Zulk een eisch mag ik aan uwen tijd en aan uwe kracht niet doen. Maar dat is ook niet noodig. Genoeg vooreerst, dat mijn hart door de mededeeling ontlast en verruimd is.

Nu nog een woord over Herman en Henriette. Herman is materialist geworden .... het is vreeselijk. Alsof hij bij zijn vertrek een voorgevoel had, dat zoo iets gebeuren kon, heeft hij gevraagd en er op aangedrongen, dat ik hem toch met mijne lessen [7] en raadgevingen volgen zou. Ik wenschte, dat ik al mijne plichten vervuld had zoo als ik dezen vervuld heb. Toen zijne afwijking mij kenbaar werd, was het een steunsel voor mijnen hoop, dat hij openhartig bleef en mij daardoor gelegenheid gaf om op hem te werken. Maar ik vorderde niet met hem. Het werd erger en erger. Eindelijk werden zijne redekavelingen zoo verward en onbekookt, dat ik 1 februari a[nn]i p[raeterit]i hem tot een bepaalde verklaring op eenige capitale stukken opriep en nadrukkelijk rekenschap afvroeg. Dit mijn schrijven is nooit beantwoord geworden, in weerwil van mijne herhaalde aanmaningen. Nu wil ik wel aannemen, dat omstandigheden veel hebben toegebracht om dit moeielijk voor hem te maken, doch het pertinente stilzwijgen dat hij behoudt doet al te zeer vrezen, dat de oorzaak voornamelijk in geest en hart zal liggen. Toch geef ik het niet op om hem weder en wederom aan boord te klampen en moge God mij wijsheid geven om dit op de beste wijze te doen. Och, dat ik nog eens met den vader uit de gelijkenis mocht kunnen zeggen 'deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden - hij was verloren en is gevonden', anders .... ach mijn pen weigert het bijna het te zeggen, anders, kan ik het niet meer een mijner vurigste wenschen noemen mijnen Herman nog eens terug te zien. Ach, hoe ongelukkig.

Ook aan Henriette blijf ik arbeiden en met betere hoop. Hoever ook hare vrijzinnige denkbeelden gaan. Zooveel is mij gebleken, dat zij aan God en eeuwig leven, aan deugd en vroomheid vasthoudt. Hare onlangs afgelegde ootmoedige belijdenis van schuld en vertrouwen op Gods genade is mij hiervoor een kostbaar onderpand. Nog altijd kan ik van hart tot hart met haar spreken en blijft de weg voor mij open, om te doen wat ik kan. Kan ik niet alles verkrijgen, daarom wil ik het mindere niet verachten noch prijsgeven. Haar man is zeker geavanceerd liberaal en dit zal niet zonder invloed op haar blijven. Ook is hij in zedelijk opzicht schuldig, meer dan zij. Maar dat zijn karakter [8] au fond en principieel onzedelijk, lichtzinnig zijn zou, dit is en met het getuigenis van Henriette en met zijn brief, waarin hij ons zijne huwelijks-intentie bekend maakte, te zeer in strijd dan dat ik het vooralsnog kan aannemen, hoewel ik ook niet volkomen gerust ben na uwe mededeelingen. Wat kunnen er op het menschelijk leven, en op den ouderdom vooral, nevelen rusten.

Als ge mij vroeger of later weder schrijft, och, neem dan een wat grove pen en wat zwarte inkt. Tot mijne treurige ervaringen behoort ook dat mijne oogen veel zijn achteruitgegaan en dit schijnt met geen hooger bril-nummer verholpen te kunnen worden. Deze laatste ontdekking deed ik verleden maanden en zij sloeg mij diep ter neder. Lezen is nagenoeg het eenige wat ik doen kan! Ik ben eenigzins opgebeurd door het vinden van een leesglas, dat b.v. een heelen regel van den Standaard omvat en nog al helpt met het gebruik van bril. Toch moet ik den Standaard meer overloopen dan geregeld doorlezen. Als ge mij helpen kunt aan een duidelijk grieksch N.fieuwe] T.[estament], goed papier en zwarte, niet te kleine letter, zal ik u zeer dankbaar zijn. Ik zal er trouw gebruik van maken.

Moeder is weken lang aan het sukkelen. Zij heeft weder haar slijmhoest gehad. Deze is merkelijk geminderd. Maar in weerwil dat zij eieren, portwijn en gr[oen]landsch[? ] mos 91 gebruikt, blijft zij zwak en slap. De reden zal wel in de ouderdom liggen, dat zij van een ontvangen stoot zich moeielijk herstelt. Kunt

gij uw plan volvoeren om 20 mei ons te bezoeken, het zal haar eene verkwikking en mij aangenaam zijn.

In hope dat alles met en bij u wel is, eindig ik dezen langen brief, dien gij, vertrouw ik met dezelfde toegenegenheid des harten lezen zult als waarmede ik geschreven heb. Omhels Johanna en de kinderen voor moe, voor ons allen en voor mij,

L[eiden] 16 mei 1873

uwen vader K


1. Confidentie. Schrijven aan den Weled. Heer J.H. van der Linden, Amsterdam 1873, 34v. Zie voor A. Kuyper (1837-1920): J. van den Berg e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme (BLGNP) IV, 276-283.

2. W.F.A. Winckel, Leven en arbeid van dr. A. Kuyper, Amsterdam z.j. [1919]. Kuyper zelf was maar matig ingenomen met dit werk, dat zonder zijn toestemming verschenen was. Hij corrigeerde publiekelijk enkele mededelingen aangaande zijn jeugd en beklemtoonde dat een biografie 'in engeren zin' zou moeten wachten tot de ontsluiting van zijn correspondentie; De Standaard, 3 nov. 1919.

3. R Kasteel, Abraham Kuyper, Kampen 1938.

4. C.H.W. van den Berg, 'De invloed van de Nadere Reformatie op de Doleantie, in 't bijzonder op Abraham Kuyper', in: Documentatieblad Nadere Reformatie 10 (1986), 37-53, m.n. 38.

5. C. Augustijn, 'Kuypers zelfportret, in: C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper:

vast en veranderlijk. De ontwikkeling van zijn denken, Zoetermeer 1998, 11-23, m.n. 22-23.

6. G. Puchinger, Abraham Kuyper. De jonge Kuyper (1837-1867), Franeker 1987, 176. De correspondentie van A. Kuyper met Jo Schaay bevindt zich in het particuliere deel (AKP) van het Archief Kuyper (AK); Historisch documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme (1800heden), Amsterdam.

7. 'De bekering van Kuyper volgens zijn "Confidentie"', in: Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland 3 (1989), 44-64, m.n. 44 en 63.

8. Puchingers uitspraak 'nergens blijkt dat vader en zoon persoonlijk, religieus en theologisch ooit intiem of diepgaand contact met elkaar hebben gehad', doet geen recht aan hun gecompliceerde relatie; vgl. Puchinger, Kuyper, 30.

9. Confidentie, 34v.

10. Over de Middelburgse periode en de komst naar Leiden: J. Vree, '"Ik Abraham Kuyper J.Fzoon": een kind in Middelburg (1841-1849)', in: J. van Gelderen, A. van 't Riet, F. Rozemond (ed.), Cruut-hof. Opstellen voor Kees de Kruijter, Kampen 2001, 108-118. De binnenzijde van het document uit 1848 is ook afgebeeld in J. de Bruijn (ed.), Abraham Kuyper in leven en werk in beeld, Amsterdam 1987, 12.

11. Confidentie, 35.

12. Huiszittenhuis: het gebouw waar de uitdelingen van bijvoorbeeld brood en turf aan de (t)huiszittende armen gehouden worden.

13. Een overzicht van de Huiszittenhuis-zaak in Repertorium I, s.v.; Archief kerkeraad hervormde gemeente Leiden, IV.40; GA Leiden.

14. Een overzicht van de kwestie 'gemeentecommissie' in Repertorium 1853-1870, s.v.; Archief kerkeraad hervormde gemeente Leiden, IV.47. De brieven van C. Hooijer aan J.H. Stuffken alsmede bijna dertig brochures aangaande de kwestie 'Gemeentecommissie' in familiearchief Stuffken, 28, 28a, 121, 121a; GA Leiden.

15. AKP B 429; Puchinger, Kuyper, 173.

16. Vgl. J. Zwaan, 'Sociale bewogenheid in een jeugdwerk van Abraham Kuyper', in J. Stellingwerff e.a. (red.), Een vrije universiteitsbibliotheek, Assen 1980, 203-219. Zie over de 'bona ecclesiastica': Commentatio in quaestionem ab Ordine Theologorum positam in certamen litterarium die XV mensis Aprilis anni Domini MDCCCLIX indictum, 32, 85, 216; AK L I, P 43. Vgl. A. Kuyper, Disquisitio historico-theologica, exhibens Joannis Calvini et Joannis a Lasco de ecclesia sententiarum inter se compositionem, Hagae Comitum/Amstelodami 1862, 55, 146.

17. Puchinger, Kuyper, 58- 60, 71, 78v; de datum van Brams belijdenis in a.w., 269.

18. Over de prijsvraag: J. Vree, 'The editions of John a Lasco's works, especially the Opera Omnia edition by Abraham Kuyper, in their historical context', in: Nederlands archief voor kerkgeschiedenis 80 (2000) 309-326. Tenzij anders vermeld, zijn alle bijzonderheden aangaande Kuypers onderzoek naar A Lasco en andere stukken uit de Reformatietijd die in het volgende genoemd worden in dit artikel verantwoord.

19. Confidentie, 36-39.

20. A. Kuyper aan E. Reuss, 12 febr. 1860; Archives Municipales de Strasbourg, AST 1660a/762. Met dank aan dr A. de Lange te Karlsruhe, die mij op de vindplaats van Kuypers brieven aan Reuss wees. Zie voor Brams mededelingen aan Jo over het bezoek aan Haarlem: Stellingwerff, 'Bekering Kuyper', 48v.

21. A. Kuyper aan Jo Schaay, [29? febr. en 4 maart 1860]; AKP B 206, 208. Voor A Lasco over de Geest en de gemeente: J. Vree, 'Abraham Kuyper als Erbe a Lascos', in: Ch. Strohm (ed.), Johannes a Lasco (1499-1560): polnischer Baron, Humanist und europaischer Reformator, Tübingen 2000, 357-375, m.n. 367. J.H. Scholten over het getuigenis van de Geest in: De Leer der Hervormde Kerk I, vierde, vermeerderde druk, Leiden 1861, 208-234.

22. A. Kuyper aan Jo Schaay, [15? febr., 21? maart, eind mei 1860]; AKP B 196, 210, 300. Vgl. Puchinger, Kuyper, 73, 105. Ik heb niet kunnen achterhalen of de woorden 'faith, time and energy' van Kuyper zelf afkomstig zijn, dan wel door hem geciteerd worden.

23. A. Kuyper aan J. Schaay, [aug. 1860]; AKPB 272. '[Je vous prie] de me suggérer tel sujet pour une dissertation, qui... se laisserait terminer dans 1'espace d'une année. Je le voudrais tiré de préférence de 1'histoire Ecclésiastique. Je n'ai pas a vous dire que je ne suis pas de tout pressé, comme je dois passer encore deux examens avant d'aborder une dissertation'; A. Kuyper aan E. Reuss, 9 sept. 1860; AST 1660a/799.

24. Vgl. A. Kuyper aan Jo Schaay, 26 dec. 1860; AKP B 257; deels bij Puchinger, Kuyper, 133.

25. Helaas kon ik het antwoord van Reuss op Kuypers brief van 9 sept. 1860 niet vinden.

26. [Anoniem], Graaf van Borries. Hannover en Duitschland, Leiden (A.W. Sythoff) 1860; J.F. Kuijper, 'Geeft ons plaatse.' (2 Cor. VII: 2a). Bevestigingsrede, Leiden (Gebr. van der Hoek) 1860. Ook de preek werd bij Sythoff gedrukt. Vgl. A. Kuyper aan Jo Schaay, [17 nov. 1860]; AKPB 241.

. 27. Vgl. het door mij vervaardigde overzicht 'Preken van A. Kuyper als student, proponent en predikant te Beesd (1862- 1867)' in het HDC. Over het het aanbod van kandidaten: P.T. van Rooden, Religieuze regimes. Over godsdienst en maatschappij in Nederland, 1570-1990, Amsterdam 1996, 52.

28. A. Kuyper aan J.A. Grothe, 27 maart 1863; Notulen Utrechtsch Historisch Genootschap, bijlagen 1863, 43; Archief UHG, 6; Utrechts Archief R 62. A. Kuyper aan Jo Schaay, [29 maart 1863]; AKP B 450.

29. Confidentie, 40.

30. Puchinger, Kuyper, 175, 186-192. De correctie 'voor' i.p.v. 'naar de wereld' is conform het origineel; AKP B 448.

31. Vgl. Puchinger, Kuyper, 183.

32. Confidentie, 43, vgl. 48.

33. Confidentie, 36-49.

34. Over Kuyper te Beesd: J. Vree, 'Abraham Kuyper te Beesd (1863-1867). Een vingeroefening in kerkreformatie', in: S.E.M. van Doornmalen (eindred.), Geloven tussen de rivieren. Verkenningen in de Gelderse kerkgeschiedenis, Delft 1999, 215-248.

35. Voor het volgende: J. Vree, 'Dr A. Kuyper, de dominee van wijk 27, wijk 8, en nog veel meer (1870- 1874)', in: J.D. Snel (eindred.), En God bleef toch in Mokum. Amsterdamse kerkgeschiedenis in de negentiende en twintigste eeuw, Delft 2000, 347-388, m.n. 376-379; ook zelfstandig als: Abraham Kuyper als Amsterdams predikant (1870-1874), Amsterdam 2000, m.n. 44-48.

36. Vgl. Confidentie, 9-15, 46v.

37. Vrijheid, 17, 22, (25). Over Kuyper en De Tocqueville: John Bolt, A Free Church, a Holy Nation. Abraham Kuyper's American Public Theology, Grand Rapids 2001, reg. in voce.

38. Over het request: M. den Admirant, 'De vader van Abraham Kuyper', in: De Hoeksteen 13 (1984), 127-131. In de weergave bij Den Admirant van het advies van de Gouverneur van Noord-Holland inzake het request van Kuijper, wordt gespeld 'Buis en Zimmerman'. De Naamregister(s) van alle kooplieden (...) der stad Amsterdam van 1810 en 1818, en het Algemeen adresboek 1821 geven alleen de door mij genoemde firma, zonder overigens in te gaan op de hoedanigheid van de handel. J. Ruijs (!; 1750-1825) woonde aan de Herengracht, bij de Brouwersgracht; over hem en zijn nageslacht: Nederland''s Patriciaat 52 (1976), 204-281. Het kantoor was gevestigd ten huize van C. Zimmerman: Herengracht, tussen Bergstraat en Blauwburgwal.

39. Meer over J.F. Kuyper (1801-1882, die zelf zijn naam als Kuijper spelde) in: Vree, 'Ik Abraham Kuyper'. Aan de daar vermelde voorbeelden van armoede kan toegevoegd worden, dat

Kuyper sr bij zijn vertrek uit Middelburg weigerde de gebruikelijke som van ƒ20 (bestemd voor het weduwenfonds) in de kas van de gelijknamige classis te storten; Handelingen van de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde Kerk (...) 1850, 54-56.

40. Evenals senior ontving junior later voor zijn studie hulp uit Amsterdam. De hoogleraar L.W.E. Rauwenhoff zorgde er eind 1860 voor dat Bram, die toen erg krap bij kas zat, ƒ200 ontving van zijn stiefbroer mr R. le Chevalier; A. Kuyper aan Jo Schaay, 17? april, ? mei 1859; 26 dec., [30? dec.] 1860; 1 febr. 1861; AKPB 83, 98, 257, 258, 282; Puchinger, Kuyper, 133v.

41. Zie de in het volgende aangehaalde brief van J.F. Kuyper aan A. Kuyper, 13 april 1871.

42. J.F. Kuyper aan Jo Kuyper-Schaay, 30 dec. 1869. De meeste brieven van J.F. Kuyper aan A. Kuyper en diens vrouw bevinden zich in AKP [doos] 2. Ze zijn niet genummerd. Brieven van A. Kuyper aan zijn vader heb ik niet aangetroffen.

43. J.F. Kuyper aan A. Kuyper, 28 okt. 1870.

44. Ik heb deze brief niet aangetroffen.

45. Kamerleden ontvingen destijds geen tractement; ze genoten slechts een vergoeding.

46. Vgl. Jo Kuyper-Schaay aan A. Kuyper, 12 mei 1871; AKP 3.

47. Vgl. Vrijheid, 18-19, 22, (25). Ik zocht vergeefs in De la démocratie en Amérique naar de door senior genoemde bedragen (ik gebruikte de 14e druk, Paris 1864). Het pensioenbedrag is ontleend aan de inventaris van de gemeenschappelijke boedel van J.F. Kuyper en zijn vrouw, opgemaakt 12 maart 1881, nadat de laatstgenoemde overleden was. In de boedel, die, inclusief lijfsieraden en effecten, op bijna ƒ8.600 geschat werd, kwam maar voor een bedrag van ƒ 3 aan boeken voor. Wat er ooit aan bibliotheek was geweest, was toen blijkbaar reeds verkocht of aan Bram doorgegeven; AKP 13.

48. Vrijheid, 17.

49. IJgracht: thans Prins Hendrikkade. Voor de relatie met J. Ruijs: NedP 52 (1976), m.n. 246v.

50. A. Kuyper aan L.W.C. Keuchenius, 24 febr. 1873; Koninklijke Bibliotheek 68 E 3. De gegevens over Herman zijn ontleend aan een schrift met zwart omslag, dat blijkens de verdere inhoud moet zijn geschreven door A. Kuypers zuster Anna (1840-1910); AKP3 ['Ik Abraham Kuyper', noot 12, heeft onjuist: AKP 21.

51. A. Kuyper [te Leiden] aan J. Kuyper-Schaay, 14 maart 1865; AKP I.A. Kuyper aan R. Fruin, 22 juni 1865; H.J. Smit, W.J. Wieringa, Correspondentie van Robert Fruin, Groningen/Djakarta 1957, 155- 156. Vgl. 'Beesd', 22lv.

52. Vgl. Vree, 'Ik Abraham Kuyper'.

53. Confidentie, 46. G. Groen van Prinsterer, Briefwisseling VI (1869- 1876), bewerkt door J.L. van Essen, 's-Gravenhage 1992, 412, 422, 434.

54. J.F. Kuyper aan A. Kuyper, 21 mei 1873.

55. Stellingwerff, 'Bekering Kuyper', 44v. Kuyper bedankte Van der Linden voor de geboden 'aanleiding'; Confidentie, 15.

56. C. Augustijn, die de discussie met Gunning onderzocht, concludeert: het gaat Kuyper 'om absolute zekerheid, om een gezag dat zonder meer erkend wordt en waarin de mens kan rusten'; 'Kuypers rede over "De hedendaagsche schriftcritiek" in haar historische context', in: Augustijn, Vree, Kuyper: vast en veranderlijk, 109- 148, m.n. 121.

57. Confidentie, 36. Puchinger, die in tegenstelling tot zijn voorgangers over alle primaire bronnen kon beschikken, maakt in zijn Kuyperbiografie van geen der drie genoemde mislukkingen melding. Omdat hij onder meer het archief van de hervormde kerkeraad van Beesd niet raadpleegde, moest hij wel spreken van 'het weinige dat van de vier jaren dat hij [Kuyper] te Beesd doorbracht bekend is'; Kuyper, 206.

58. Confidentie, 47. Een anoniem schrijver betoogde in een discussie over de invloed van A Lasco en Calvijn in de Nederlanden, die zeker door Kuyper gelezen is: 'het Calvinisme had juist in zijn krasse vormen en leerbegrippen, in het afgeronde van zijn stelsel, zijne aanbeveling bij ... de lagere volksklasse; die menschen hebben behoefte aan dergelijke geloofsvormen en begrippen; zij

konden ze verstaan, niet, omdat zij ze wijsgeerig wisten te ontleden, maar omdat zij tot de verbeelding spraken en alles terugbragten tot God en in Hem de bron en het einde van alle dingen stelden. Het volk, het plebs, is altijd voor het harde, het plastische, het aanschouwelijke'; Godgeleerde Bijdragen 1861, 250.

59. A. de Lange, J.H. Gunning Jr. (1829-1905): Een leven in zelfverloochening. 1 (1829-1861), Kampen 1995, 87.

60. Stellingwerff, 'Bekering Kuyper', 45v; A. Kuyper aan Jo Schaay, eind jan. 1859, bij: Puchinger, Kuyper, 73.

61. Bij het examen legde Kuyper een verklaring over van de Leidse kerkeraad, d.d. 19 februari 1862, dat hij 'sedert meer dan twee jaren' lidmaat was. Het stuk was getekend door E. Laurillard; AK VIN 28.

62. Van den Berg, 'Nadere reformatie-Kuyper', 39.

63. G. Groen van Prinsterer aan A. Kuyper, 4 april 1873; Groen, Briefwisseling VI, 423.

64. Confidentie, 74-80. Vgl. J. Vree, '"Het Réveil" en "het (neo-)Calvinisme" in hun onderlinge samenhang (1856-1896)', in: Augustijn, Vree, Kuyper: vast en veranderlijk, 54-85, m.n. 64, en Vree, 'Ik Abraham Kuyper', 112.

65. Augustijn, 'Kuypers zelfportret', 12.

66. Het grootste deel van de nagelaten stukken van A. Rutgers heeft betrekking op de Leidse gemeentecommissie en de strijd over het beheer van de kerkelijke goederen, niet alleen in Leiden, maar ook op andere plaatsen (Archief familie Rutgers; m.n. no 41; HDC 204. Archief A. Rutgers; HDC 205). Daarnaast is via F.L. Rutgers een aantal van A. Rutgers afkomstige brochures betreffende genoemde strijd in de UB VU opgenomen.

67. Voor Pierson en Busken Huet (die in de Confidentie niet bij name vermeld worden) als antipoden: m.n. A. Kuyper, Kerkvisitatie te Utrecht in 1868 met het oog op den kritieken toestand onzer kerk historisch toegelicht, Utrecht 1868, 1- 6, en Vree, Kuyper als Amsterdams predikant, 26, 31.

68. Periculum etc.: gevaar bij uitstel.

69. 'De sneeuw van den Libanon', in: De zaaier 1, 6 (1872), 161-165, en Vrijheid. Rede, ter bevestiging van Dr. Ph.S. van Ronkel, gehouden den 23 maart 1873, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, Amsterdam 1873. Van 'Sneeuw' verscheen een overdruk van vijf genummerde pagina's, die waarschijnlijk ook aan Kuyper sr werd toegezonden. Ik citeer uit dit stukje, dat ik van Tj. Kuipers te Kampen in copie mocht ontvangen.

70. Kuyper beschrijft hoe de sneeuw van het hooggebergte na smelting nogmaals als wit verschijnt wanneer ze opbruist aan de voet van een waterval, en vervolgt dan: 'Is het niet of de sneeuw in haar loop sprak: "Ik heb macht mijn schoonheid af te leggen, maar ook macht mijn schoon tot mij te nemen. Dit gebod gaf mijn Schepper mij!" Golgotha! gij waart die steilte van den rotswand. Lama Sabachtani! dat is de smartekreet der wateren als ze in het diep neerploffen! ...'; 'Sneeuw', 4.

71. Captum etc.: voor het merendeel der hoorders begrijpelijk.

72. Zie voor dit en het direct volgende de toelichting boven.

73. Zie voor de bedoelde alinea de toelichting boven.

74. J. Clarisse (1770-1846), 1814-1840 hoogleraar aan de Leidse theologische faculteit; BLGNP V, 117- 120.

75. D.M. Kaakebeen (1788- 1835), 1820-1835 predikant te Amsterdam; BLGNP II, 279-280.

76. A.H. ter Hoeven (1782- 1858), 1818-1858 predikant te Amsterdam; R.B. Evenhuis, Ook dat was AmsterdamV, Baarn 1978, 151, en W.A. de Clercq, Willem de Clercq (1795- 1844), Amsterdam 1999, 440.

n- 77. Henrietta J.F. Kuyper (1836-1887), huwde in 1872 te Frankfurt am Main met C.M. de Bruyn Kops (1829- 1885). De in het navolgende bedoelde correspondentie tussen Kuyper junior en senior enerzijds en Henriette en haar man anderzijds heb ik niet kunnen vinden.

78. Zie voor de verhuizing de toelichting boven. De bedoelde boekverkoper is wellicht Fred. Muller te Amsterdam geweest.

79. H.A. Gall, De wereldgeschiedenis beknopt voorgesteld in tijdrekenkundige tafelen tot onderwijs en eigen oefening. (...), 2e druk, Amsterdam 1837.

80. Liedjes van Matthias Claudius [Vertaald door

[H.] 'T.'[ollens]], tweede druk, Leeuwarden (G.T.N. Suringar) 1834.

81. Bedoeld is J.J. Griesbachs Novum Testamentum Graece dat 1796-1806 voor het eerst verscheen. Kuyper sr kreeg steeds meer last van slechtziendheid. Zie het slot van de volgende brief.

82. ' Wat het is, broeders en zusters van geestelijke maagschap te hebben, ik heb het te Utrecht eerst ten volle geleerd!'; Conservatisme en orthodoxie (...), Amsterdam 1870, 25.

83. De in de vorige brief genoemde Henriette en Herman Kuyper (1843- 1874). Brieven van de laatstgenoemde aan zijn broer in AKP 3. Zie ook het slot van deze brief.

84. Zie de aanvang van dit artikel.

85. Vgl. Confidentie, 6.

86. Confidentie, 18-19, 24- 30. Bedoeld is Kuypers moderne collega G. van Gorkom, met wie hij onder meer streed over het karakter van de catechese in het weeshuis.

87. Poenitet: het spijt me.

88. axiopistigeloofwaardigheid (van de bijbel< schrijvers> ).

89. Jeannette J. Kuyper (1847-1941).

90. Jhr I. Cremer van den Berch van Heemstede (1811-1879) werd in 1873 lid Tweede Kamer voor Leiden. Zie ook: Confidentie, 46.

91. Waarschijnlijk bedoeld: Iers mos, als huismiddel tegen hoest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2001

DNK | 88 Pagina's

AANDACHTIG ZELFONDER- ZOEK GUNT MIJ DAN OOK NIET DEN MINSTEN TWIJFEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2001

DNK | 88 Pagina's

PDF Bekijken