In de Vrije Kerk bespreekt de redacteur
Ds. Beuker het te Kampen aangenomen amendement over de opleiding van de Dienaren des Woords, en is met ons van oordeel, dat dit amendement geen struikelblok mag blijven.
Hij zegt ervan:
Dat door aanneming van het amendement' Littooy onze Synode, mijns erachtens, niet correct heeft gehandeld. Het gold hier geen gewetenszaak, noch ook het beginsel onzer Kerk of de Scheiding van 1834.
Het gold hier een zaak, die, hoe belangrijk ook, ons door des Heeren Woord niet is voorgeschreven, door onze vaderen niet zóó op de spits is gedreven, noch tot op dezen dag door onze Kerk in de practijk eenparig is gevolgd.
Wij hebben dusver iedereen, die een goed attest overhandigde, tot het examen toegelaten en, als hij bekwaam bleek, tot leeraar aangesteld, onverschillig waar hij zijne opleiding had genoten of waar hij zijne bekwaamheid ook had opgedaan.
Bij de oprichting van de Vrije Universiteit zijn wij, op de meetings van 28 Mei en 11 Juni 1880 te Amsterdam met bezwaren tegen haar opgekomen, niet omdat de geheele Universiteit niet van de Kerk uitging, maar hierom ! a. dat hare Theol. faculteit niet in verband stond met, noch onder toezicht leefde van een gereformeerde Kerk; b-omdat zij de door God geopenbaarde Kerk ignoreerende, de hoop scheen te voeden, dat zij hare candidaten nog in de Ned. HerVi d i. in een valsche kerk, zou kunnen binnenbrengen. Deze beide zaken zijn nu geheel anders geworden.
De Acte toont nu duidelijk aan: ten eerste, dat er van eenige relatie met het Ned. Herv.
Kerkgenootschap geen sprake meer is; en ten anderen - odat aan de Synode der vereenigde Oereformeerde Kerken behoorlijk medezeggenschap in de benoeming, de eventueele schorsing en het ontslag van de theologische professoren en toedicht op het te geven onderwijs wordt verzekerd, " Wij voor ons zijn met hetgeen art. 14 van de Acte biedt, wel tevreden. De Kerk behoort onzes inziens niet meer te verlangen, en had beter gedaan met het amendement-Littooy niet aan te nemen, en wel: i". Omdat een degelijke Universiteit, zonder een theologische faculteit ondenkbaar is.
2". Omdat in een Christenland, ook volgens Calvinitiscbe beginselen, zulk een Vrije Geref.
Universheit op den duur onmogelijk kon worden gemist, wijl Christus niet alleen in de Kerk, maar in alle kringen van het leven als Koning moet heerschen.
3''. Omdat de Kerk als zooodanig zich roet het oprichten en in stand houden van Universiteiten, waaraan ook juristen litteratoren, medici en allerlei ambtenaren voor 't Vaderderland moeten gekweekt worden, wegens haar hoogere en heiliger roeping, onmogelijk bemoeien kan.
4". Omdat ook voor de dienaren der Kerk, bij welbeproefde zuiverheid in de leer, bekwaamheid in 't prediken en godzaligheid in den wandel (waarop de Kerk geroepen is toe te zien) een degelijke universitaire ontwikkeling, zoo al niet onmisbaar, dan toch zeker hoogst gewenscht is. 5". Omdat op de wijze, als in art. 14 van de Acte omschreven is, aan de Kerk behoorlijk medezeggenschap in de godgeleerde faculteit en toezicht op het godgeleerd onderwijs wordt verzekerd en zoodoende tegelijk èn een degelijke universitaire opleiding, èn een genoegzame waarborg aan de Kerk voor zuiverheid in de leer geboden wordt. Dat daarbij de hoop op een betere toekomst voor het diepgezonken Vaderland niet wordt afgesneden, maar gevoed en aangewakkerd, is zeker nog een drangreden daarenboven.
6'. Omdat onze vaders, die het door hun zoo hoog gewaardeerde universitaire onderwijs uit de handen van den in vele opzichten onafhankelijken en veelvermogenden Staat ontvingen — wat veel gevaarlijker was dan eene vereeniging van particulieren op gereformeerden grondslag, welke voor een groot deel juist van de liefde en het vertrouwen, dat de Kerken in haar stellen, moet leven — nooit meer hebben geëischt dan een medezeggenschap in de theol faculteit en het aanstellen van hare professoren.
Daarom komt het ons voor, dat een wetenschappelijke opleiding in de historische en systematische Theologie aan een Vrije Universiteit op gereformeerden grondslag en een hiermede harmonieerende kerkelijke opleiding in de practische Theologie aan een eigen school der Kerk, het beste is wat een gereformeerd mensch, een Christelijk vaderlander, ja, wat een Gereformeerde kerk wenschen kan.
Wij twijfelen er dan ook weinig aan, of onze kerkeraden, Classen en Prov. Synoden zullen, als ze straks geroepen worden, over deze quaestie te beslissen, evenals verleden jaar over het opheffen van 't Reglement van '69, over het algemeen van oordeel zijn, dat om zoo iets de vereeniging der gereformeerden niet achterwege mag blijven.
Het is van veel beteekenis, dat nu reeds een zoo klaar en helder getuigenis over deze teedere aangelegenheid uitgaat.
Ook ons toch komt het voor, dat men in zulk een ernstige aangelegenheid als het duurzaam gescheiden blijven van Gereformeerde kerken, die één in belijdenis, liturgie, kerkenordening en taal zijn, zich over en weder wel heeft af te vragen, of wat in den weg staat van zulk een gewicht en zulk een geestelijk gehalte is, dat men door op dien grond de hereeniging af te snijden, voor 's Heeren Woord, voor de rechtbank der historie en voor zijn eigen consciëntie bestaan kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1889
De Heraut | 4 Pagina's