Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Theorieën van Kerkzuivering.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Theorieën van Kerkzuivering.

14 minuten leestijd

II.

De fout der 17e eeuw heeft zich in de iSe eeuw bitter gewroken.

Ongetwijfeld was men in de i6e eeuw verplicht en gehouden, om de gedoopten als gedoopt te eeren en de door de kerk erkenden als leden der kerk aan te nemen.

Willekeur had geen pas. Maar, toen men, met Rome brekende, eenmaal tot reformatie overging, had men terstond van tweeën één behooren te doen, t. w, óf door oefening van tucht den onheiligen invloed der hypocrieten breken, óf door degelijke onderrichting, huiibezoek en predicatie de wilde massa in beter spoor leiden.

wilde massa in beter spoor leiden. In die deelen van ons land, waar dit laatste destijds met ijver ondernomen is, vorderde men dan ook aanmerkelijk; en het is vooral aan dien doortastenden ijver te danken, dat Walcheren en de streek om Axel in Staatsvlaanderen, dat de Vcluwe en de Rijnstreek allengs zooveel zuiverder gestalte vertoonden.

Maar in de meeste deelen onzes lands bleef men in gebreke. De tucht werkte niet en de onderrichting der gemeente liet men loopen. Gevolg waarvan was, dat vooreerst een zoo groot deel der bevolking ook benoorden den Moerdijk de Roomsche Hiërarchie bleef volgen, en dac ten andere uit de wilde massa gedurig allerlei sekte, dwaling en ketterij opschoot. Dit stak ten slotte ook de theologische faculteiten en den stand der leeraars aan, en zoo is het gekomen dat inde tweede heht der i8e eeuw, heel onze kerk van het zuivere spoor was geweken; de echte belijders nog slechts een k'eine minderheid vormden; en het grootere kerkelijke publiek, onder de leiding der theologische faculteiten en der leeraars, meer en meer afweek n.iar een Supranaturalisme zonder merg of versteend Rationalisme, dat later in het Modernisme vloeiend wierd.

Had het Calvinistisch volk zich toen nog geroerd, er ware nog hope geweest. Maar door het jammerlijk conventikel-wezen is toen ook in die kringen alle ijver voor Gods kerk gebluscht.

De vromen weken de kerk uit en trokken zich terug in eigen kringen. Eerst heette het: De kerkregeering boezemt ons geen belangstelling in, als we nog maar een goede predicatie te hooren krijgen.

En toen ook die goede predicatie spaarzamelijk wierd aangeboden, liep men de kerk uit naar den oefenaar. Eerst moedigde de predikant dit aan, als goedkoop middel om van de lastige critiek der vromen ontslagen te zijn. En eerst toen deze practijk op algeheele ontbinding der kerk dreigde uit te loopen, nam ze er doellooze maatregelen tegen. Vandaar dat ten leste de kudde des Heeren in tal van plaatsen reeds in het laatst der vorige eeuw uit de kerk was geweken, en onze kerkgebouwen waren overgeleverd aan een kerksche menigte, die zonder gave van geestelijk onderscheid, amen zei op al wat de leerdars haarvoorprefelden, en alle evolutiën meemaakte van een steeds achteruitloopende theologie.

Zoo gistte het kwaad van twee kanten tegelijk. Onder de kern van Jezus'kerk, doordien de vromen onkerkelijk wierden, voor het Sion Gods geen hart of oog meer hadden, en zich terugtrokken in mystieke zelfgenoegzaamheid. En eveneens, zij het ook op geheel andere wij'; e, onder de kerkedienaars en opzieners en diakenen en notabele gemeenteleden, doordien ze, op en top nog kerksch, den kerkmuur als een blankgemetseld veld beschouwden, waarop beurtelings elke nieuwe rationaliseerende richting haar fonkelnieuwe denkbeelden afficheeren kon.

Rekent men nu daarbij met bet feit, dat de Overheid dezer landen, die na 1650 steeds meer afsleet van haar Gereformeerd karakter, en na 1750 allen zin voor de Gereformeerde religie verloren had, in het laatst der vorige eeuw ten leste omsloeg in een atheïstische magistratuur, die brak met alle kerkelijke sympathieën, dan valt reeds hieruit te gissen, in wat smadelijk malaise onze eens zoo bloeiende Gereformeerde kerk omstreeks 1800 gezonken lag. Met den steun der Overheid verloor ze haar krukken. Innerlijk was het pit der gemeente haar vreemd geworden. Ze kende geen band der belijdenis meer. Ze wierd omgevoerd met alle wind van leer. En haar kerkelijke organisatie miste, bij ontstentenis van nationale Synode, de veerkracht om zich op te richten.

De fout in de i6e eeuw begaan, had aar wrange vrucht gedragen. Kerkelijke onde wordt altoos door haar gerechtige rake achtervolgd. En de overprikkelde ucht om mair talrijk, om maar machtig, m maar alleenheerscheres en volkskerk te zijn, wierd gestraft ontreddering. in haar volslagen

Alleen zoo verklaart het zich dan ook dat in 1816 de tegenstand tegen Konin Willem I zoo kleine afmetingen aannam. Had Prins Willem I iets soortgelijks als Koning Willem I beproefd, in twee maanden tijds zou heel het korps predikanten met de gemeente achter zich, van noord tot zuid, overeind hebben gestaan om voor de cere der kerk te waken.

Maar Koning Willem I stuitte op zulk een korps predikanten niet. Er waren er van het oude stempel misschien nog een veertigtal in onze heele kerk, en van deze veertig kenden geen tien ons oude Gereformeerde kerkrecht meer. Het korps predikanten en gros genomen, zocht zijn eere destijds, ten eeiste in deftigheid, ten tweede in de gunst der aanzienlijken, ten derde in academische geleerdheid, en ten vierde in de poging om de nieuwe vondsten en negatiën der wetenschap te verdunnen, aan te lengen en te verzilveren.

Een organisatie als Koning Willem hun aanbood en oplegde, was hun wel naar hun hart.

En wat de „vromen" betrof, deze waren er nog wel; maar vooreerst bemoeiden ze zich bijna niet niet kerkelijke aangelegenheden; alleen het geestelijke trok hen aan; en ten andere, alles liep zoo muisstil af, dat men bij de weinige pubHciteit dier dagen er nergens bijna het rechte van vernam.

Zoo gleed men ongemerkt uit 1618 in 1816 over, en toen het korps predikanten maar eenmaal de macht in handen had, om de weerspannigheid der vromen te breken, den weerstand van een enkel lastig collega te ontwapenen, en de kwalijk verborgene theorieën van hun academische geleerdheid openlijker dan dusver te prediken, toen begon dat snelle proces als een afloop van zeer snelle wateren, waardoor we uit 1816 in het Modernisme terecht kwamen.

De organisatie onzer kerk was nu Hiërarchisch en Collegiaal geworden; de groote massa des volks lag verzonken in onverschilligheid; de vromen leefden als „stillen in den lande" teruggetrokken, met een boekje in een hoekje, op de wijs der oude Doopcrs; en de prediking kon dus ongestoord haar hellend pad afglijden, - Van het kruis van Golgotha naar de doire vlakte der Rede toe. Ontzield, koel en mat.

De Reveil, die het eerst tegen dezen toestand in verzet kwam, bootste het conventikelwezen der lagere standen, onder onze aanzienlijken na. Was even onkerkelijk, als hun ocfeningswezen, en verliep zich nog sterker in subjectieve mystiek. Het verschil bestond alleen hierin, dat de kringen van den Reveil geen stillen in den lande waren, maar op de markt des levens de aandacht trokken; dat ze cenmethodistisch-cvangeliseerend clement in zich droegen; en door milder vorm en meerder beschaving sterker invloed begonnen te oefenen op enkele predikers.

En toen nu de negatiën steeds verder gingen, en de theologie der Restauratie uit Duitschland ook herwaarts overkwam, openbaarde zich ten onzent allengs de schoone apologetische macht, waaraan Van Oosterzee zijn naam verbond, en die er, hoe ook in beginsel falend, toch zoo machtig toe bijdroeg, om de Confessioneele strooming met de strooming van den Reveil te huwen; de orthodoxie weer onder een deel van onze predikanten in eere te brengen; en ten leste die nieuwe ontwikkeling van onze Theologie te voorschijn te roepen, waarop wijlen Dr. Chantepie de la Saussaye zijn Ethisch-mystiek stempel drukte.

Ook zoo echter was men er nog niet.

Het was toch niet genoeg, dat men in de hoogere kringen, in ons korps predikanten en aan onze theologische faculteiten apologetiek, mystiek en evangelisatie bevorderde; de kerk als kerk kon niet weer opleven, zoolang deze actie in de hoogere kringen niet weer in verband trad met het historisch Galvinisme, dat voortleefde in de kringen der vromen. En op weerineenschakeling van deze beide kringen bestond al minder kans.

In 1834 toch had juist het vacsst kerkelijk gezinde deel van ons vrome volk den drang gevoeld, om zich, het kostte wat het kostte, aan de doodelijke omarming der Organisatie te ontworstelen, en had in de Afgescheidene, later Christelijke Gereformeerde kerken, zich zelfstandig op eigen voet georganiseerd. Dit bracht een voor-en een nadeel.

Een nadeel, in zooverre het vele der uitnemendste elementen afsneed, en het gevaar voor ziekelijk subjectivisme onder de achtergeblevene vromen versterkte. Maar ook het groote voordeel, dat er weer kerkelijk besef in breeder kring ontwaakte; dat een gezonder prediking het valsche mysticisme afbreuk deed; en door een steeds rijker theologische ontwikkeling weer eenige honderden predikers in het land deed optreden, die den geest deden herleven van Calvijn.

De vrucht dezer reactie was zeer groot; en de man die in later tijd zich zal opmaken, om den invloed te schetsen dien de Afscheiding van 1834 op het Ned. Berv. Genootschap geoefend heeft, en er in slagen mag, om dit naar waarheid te doen, zal zijn lezers verbaasd doen staan over de ver reikende gevolgen die de gebeurtenissen van 1834 voor heel ons vaderland gehad hebben.

Hoe men toch aanvankelijk er zich ook op spitste, om deze actie in discrediet te brengen, men is hier niet in geslaagd. De gescheiden kerken hebben zich steeds krachtiger ontwikkeld in eigen boezem, en tegelijk steeds krachtiger confessioneele beweging in de oude Gereformeerde kerkformatie teweeg gebracht, Die confessioneele beweging, eenmaal in

gang, kon niet rusten, maar moest doorwerken. Immers ze was een terugkeer naar de historie; ze was een zich „afwenden van het Engelsche en Duitsche naar het nationaal-N ederlandsche; ze was een zoeken van steun niet in de hoogere klasse, maar bij het vrome volk.

En hoezeer toen ook de Vrienden der Waarheid, de Confessioneele Vereeniging, en de Oosterzeeiaaasche strooming, op allerlei wijs uiteenliepen en saam met elkaar handgemeen raakten, toch koti de kenner reeds in 1870 voorzien, dat deze richtingen, al stoeiende, toch elkander steunden, en niet minder, dat de Vrienden der Waarheid, als de meest principieele der drie, het bij den wedloop winnen zou.

Dit wachtte maar op het oogenblik dat het God den Heere believen zou aan deze meest principieele strooming weer eenige mannen van historische studie en historischen zin te schenken, die het nachtpitje der nachtschool konden uitblazen, om het licht der godgeleerdheid weer binnen te laten.

Zoodra dit toch geschied was, moest deze machtige hist'orische strooming zich wel weer bewust worden van haar verwantschap met hetgeen in 1834 een eigen bedding koos. Al wat van Calvinistischen oorsprong was, moest wel weer saamwerking zoeken; en het resultaat kon geen ander zijn, dan dat de Historie haar recht hernam, het Kerkelijk besef opwaakte, en de Ethische stroomin'g genoodzaakt wierd, om óf haar philosophïsch gewaad voor het Calvinistisch kleed uit te ruilen, óf wel met het Modernisme partij te kiezen tegen Calvijn.

Tot dit laatste kwam het, helaas! Maar juist daardoor moest dan ook de drang naar reformatie van onze kerken algemeen worden.

Met de kerkelijke toestanden, gelijk die door de Organisatie beheerscht wierden, had ten slotte niemand vrede.

Voor de Modernen was het keurslijf te eng en te confessioneel! Voor de Groninger» was het te onpractisch en te kerkelijk.

Voor de Ethischen te objectief, niet genoeg rekenende met de subjectieve persoonlijkheid.

De Confessioneelen klaagden over nietdoorwerking van Art. XI, En de Calvinisten moesten wel den eisch stellen: Naar de Gereformeerde beginselen terug, of opgeschreven ten doode.

Reformatie, zuivering wilde elke groep dus.

De vraag is maar: welke methode van reformatie wierd door elke groep gekozen? i--s»Sg£/^ss3S, *=s--Van Ds. Van der Boom, pred. der Chr.

Geref. kerk, ontvingen we onderstaand schrijven, met verzoek om het particulier of ifl de Heraut te beantwoorden.

Het laatste verdient voorkeur.

Ziehier zijn brief.

Hooggeleerde Heer! Van betrouwbare zijde werd mij medegedeeld, dat het doel der Ned. Gereformeerden, in de combinatie, welke zij met de Ghr. Ge­

in de combinatie, welke zij met de Ghr. Gereformeerden willen aangaan, niet is de ineensmelting aller Gereformeerden, maar de uitwissching der lijn 1834, teneinde daarvoor de lijn 1886 in de plaats te stellen. Om dit met een voorbeeld op te helderen, zou ik u kunnen wijzen op den toestand hier. In de plaats mijner inwoning is een Chr. Gereformeerde gemeente en een Ned. Gereformeerde gemeente. Die twee gemeenten zouden, na de aanvaarding der concept-acte, niet in elkander mogen smelten, tenzij de Chr. Gereformeerden zich vrijwillig bij de Ned. Gereformeerden voegden.

Nu kan dit naar mijn oordeel wel, ingeval de Chr. Gereformeerden in de minderheid zijn; maar indien nu het omgekeerde voorkomt, zouden dan de Ned. Gereformeerden te geenen dage in de Chr. Gereformeerden mogen opgaan?

Of stel, dat hier geen Ned. Gereformeerde gemeente is en wel een Christ. Ger. gemeente.

Nu komt er na de combinatie een Ned. Ger. lid uit Amsterdam hier wonen. Zou zulk een lid zijne attestatie dan niet bij de oorspronkelijk Chr. Ger. gemeente behooren in te dienen, of zou het hem vrijstaan, die bij een oorspronkelijk Ned. Ger. gemeente in den omtrek af te geven ? Omdat ik dergelijke onderstellingen in strijd acht mét vele uitdruïikingen in de concept acte, waarin ik mij, ook ter wille van de eenheid der broederen, wel kan vinden, ben ik zoo vrij u te verzoeken hier eens een helder licht over te doen opgaan.

In afwachting van eenig antwoord in de Heraut of in een particulier schrijven, ben ik hoogachtend U-w dw. dr. en br. in Chr.

Ds. VAN DER BOOM.

A /V,

Hierop veroorloven we ons het volgende te antwoorden: i". Een mededeeling van „betrouwbare zijde" over de bedoeling van de Ned.

Gereformeerden, is een onbestaanbaarheid.

Hoogstens kan gemeend zijn: eene mededeeling van betrouwbare zijde namens enkele toongevende broederen onder de Ned. Gereformeerden, De mededeeling nu van „betrouwbare" zijde, dat deze toongevende mannen in het openbaar zeggen, en onder aanroeping van den naam des Heeren betuigen: „Wij bedoelen ineensmelting en niet de uitwissching van een der beide typen", en dat niettemin hun heimelijke afspraak en voor elkaar beleden bedoeling zou zijn, om juist het tegenovergestelde te beoogen, houdt niets minder in dan de mededeeling, dat deze toongevende mannen valsche onderhandelaars, opzettelijke bedriegers en bewust oneerlijke mannen zijn.

Op dit punt wenschen we dus niet in te gaan, tenzij Ds. Van der Boom ons openlijk of particulier zijn zegsman noeme, Doet hij dit, dan zul'.en we den lasteraar ontmantelen en hem het masker van het aangezicht rukken.

Tot zoolang zwijgen wc.

2", De Concept-acte spreekt van geen opgaan van de eene catagorie van kerken in de andere; alleen van combinatie; en wel van zulk eene combinatie, waarbij op elke mogelijkheid gerekend is.

Opgaan van een kerk in een kerk is dan ook een onmogelijkheid. Het eenige wat bestaan kan is, dat de leden van de ééne kerk zich aansluiten bij de andere. Doen dit nu alle leden eener kerk, natuurlijk dan verdwijnt deze.

Of dit ooit voor zal komen, betwijfelen we. Maar in elk geval hangt dit dan van de keuze der leden af, een keuze, die niemand binden kan. Het kan dus zijn, dat leden van de Ned. Ger, kerk naar de Christ. Ger. kerk gaan. Het kan ook omgekeerd wezen.

Ooi echter te voorkomen, dat dit geen steen des aanstoots zou worden, heeft de concept-acte van combinatie in art. 6 bepaald : De gecombineerde Kerkeraad teekent in zijn Doop-en Avondmaals-boek aan, onder welken bijzonderen Kerkeraad een iegelijk wenscht gerekend te worden of wenscht dat zijn kind als gedoopt zal worden geboekt. Overschrijving van het ééne op het andere boek staat vrij, mits onder bewilliging van wederzijdsche Kerkeraden. Bij weigering van een der Kerkeraden kan belanghebbende zijn verzoek voor de meerdere vergaderingen brengen, wier uitspraak alsdan beslist.

Hier is dus volkomen gelijkheid, en elke reden tot gegrond bezwaar vervalt. Meerderheid of minderheid doet er hier niets toe.

En 3°. als in Voorthuizen, waar vooralsnog geen Christ. Geref. kerk is, een lid van de Christ, Geref, te Amsterdam met attestatie inkomt, staat het in de vrijheid van dit lid, of hij zijne attestatie al dan niet bij den kerkeraad van Voorthuizen wil indienen.

Doet hij dit, dan gaat hij biermede tot de Ned. Geref. kerk dier plaats over.

Stelt hij er daarentegen prijs op, dat hij, te Voorthuizen wonende, zijn onvoldaanheid met deze kerkformatie handhave, dan dient hij zijne attestatie niet bij dezen kerkeraad in, maar wendt zich tot de Classis, en deze Classis schrijft hem dan in op een afzonderlijk boek, en stelt hem onder het opzicht van zoodanigen kerkeraad, als zij in overeenstemming met zijn wensch goed zal vinden.

En evenzoo nu zou het o. i, gaan, als b, V, een lid der Ned. Geref. kerk naar Tiel verhuisde, waar geen Ned. Geref, kerkformatie is.

Ook dit punt had men voorzeker in de Concept-acte kunnen opnemen; maar o. i, heeft men ^oed gedaan, met niet te zeer in details af te dalen.

En voorts, er blijven immers Classes, en er b'ijit een Synode, en allerminst de Christ. Geref. behoeven bang te zijn, dat ze in deze vergadering zullen worden overstemd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Theorieën van Kerkzuivering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1889

De Heraut | 4 Pagina's