Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Tweeërlei Adel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tweeërlei Adel.

14 minuten leestijd

Wat het licht voor onze oogen, de lucht voor onze longen is, dat is eenmaal het Calvinisme geweest voor ons vaderland: de bron zijner sterkte en van zijn bestaan.

Dr. V. VLOTIÏN,

(Gesch. V d Nederl. Opstand.) I.

Het had kort na »den 5den van Zoomermaandt" in het bange jaar 1568 te Leuven bloed geregend Zoo werd door het volk verteld en door het volk ge loofd. Dergelijke bijgeloovige opvattingen en vertel lingen zijn dikwijls van hooge waarde, als treffende uitdrukking van wat er omgaat in het gemoed van het volk, van wat de menigte hoopt of vreest.

Het bijna ongeloofelijke had het volk opdien))5den van Zoomermaandt" zien gebeuren-Het zwaard van den beul was opgeheven over de hoofden van twee ridders der rnachtige Orde van den Gulden Vlieze. en de slag, dien dit zwaard sloeg, trof deze twee mach tigen des rijks «niet bet (beter) in den hals, dan den omstanderen in liet hart" (Hooft). Het vertelsel van den bloedregen te Leuven is in zijn ongeloofe lijkheid en geheimzinnighnid een treffend beeld van de geheimzinnige macht, die het volk over zich los gelaten achtte, sinds het te Brussel dien ongeloofelij ken slag had zien vallen

De ijzeren Hertog had zich niet ontzien met ver krachting van de heilige rechten der Orde van het Gulden Vlies, dit dubbel ofter te eischen De terecht stelling der beide graven toch was niet minder dan een onbeschaamde verkrachting van het recht in 1531 aan de ridders dier Orde toegekend dat zij n.l. bij verkeerde handelingen en misdrijven, alleen door een vierschaar hunner mederidders mochten gehoord en geoordeeld worden; aan het slot van welke bepaling wij lezen: «Dit besluit zal de plaats vervullen van een bevel, en eeuwigdurend, onherroepelijk statuut" En dat dit iieilig recht ook in de dagen van Alva nog wel degelijk geldig was, blijkt duidelijk hieruit dat de Landvoogdes Margaretha het niet eens waagde de hand te slaan aan den in hare dagen zeer befaamden Nicolaas De Hammes dien zij voor den raddraaier hield van alle «ranken", die er omgingen, maar dien zij vrij moest laten uitgaan „omdat hij officier der Orde en alzoo alleen voor Z M en het kapittel terecht te roepen" was. Wij herhalen: Nicolaas De Hammes was slechts de heraut van wapenen en dus maar de dienstmaagd der Orde!

Alva echter durfde wel de hand slaan aan twee leden der orde zelf, die bovendien mannen van een schitterend verleden waren. Hij waagde heel wat om «den kop van den zalm" te hebben. In het geheele buitenland wekte dan ook de overmoedige slag van den hertog een storm van verontwaardiging; niet het minst in DuitschLand, vanwaar de koninklijke commis saris voor de wervingen aan Alva schreef: «Hier maakt de gedane justitie de tongen los, alle schandelijke uitstrooisels tegen uwe vorstelijke genade worden hier gezegd en geloofd; om veilig door te gaan moet ik bij nacht reizen, " Welk een indruk het feit in zijn onmiddellijke omgeving op de volksmenigte maakte bleek reeds: Een geheimzinnige macht was het, waar aan het volk zich overgegeven achtte en het is daarom natuurlijk dat het zich er niet tegen verzette Geheimzinnige machten hebben altijd meer vrees dan verzet gewekt; bij het volk waren dan ook slechts buigende hoofden en buigende knieën

Maar hoe werd Alva's euvelmoed opgenomen door hen, die mederidders der orde en dus medeveronge lijkten der slachtoffers waren? Aan ijverige nasporin gen van den laai sten tijd aan de onwaardeerbare ar chiefstudiën van Mr. Groen van Prinsterer en Bakhuizen v. d. Brink, danken wij een antwoord op die vraag, dat van zoo hooge waarde is. omdat het op het feit zelf en niet minder op de wisselende orde van zaken in die beteekenisvoHe dagen een verras send licht werpt; omdat het ons geheel die wisse lende orde doet zien in het licht dier hoogere waarheid, die op zoo velerlei zedelijk terrein haar beves tiging vindt: dat n 1 gegeven zal worden aan wie heeft en dat van hem, die niet öeeft zal genomen worden ook wat hij meent te hebben.

Egmond en Hoorne zijn het voorwerp geweest van innig medelijden voor tijdgenoot en nageslacht en als slachtoffers van laaghartig verraad zal niemand hun de rechtmatige aanspraak op dat medelijden ontzeg gen. Doch ook deze medaille) heeft een keerzijde Het zwaard, dat op den noodlottigen 5den Juni over de hoofden van Egmond en Hoorne werd opgeheven heeft een veel grooter slag geslagen dan met het zin nelijk oog viel waar te nemen; datzelfde zwaard bracht in zedelijken zin den genadeslag toe aan den gehee len Nederlandschen adel, aan een geheele orde van zaken, waarvan zij de vertegenwoordigers waren En als nu de geschiedenis kan aantoonen, dat de adel zelf dien noodlottigen slag had kunnen afweren indien hij zich niet angstvallig had vastgeklemd aan die orde van zaken, die met geen mogelijkheid meer te voegen was in de opschuivende verhoudingen der maat schappij, dan blijft ons medelijden wel, maar het be wustzijn, dat hun val onvermijdelijk was; dat deze ontknooping volgen moest ter voldoening aan den on verbiddelijken eisch eener hoogere rechtvaardigheid, komt dan dat medelijden temperen; komt het opvoeren tot een van hooger orde: het wordt het tragische medelijden.

Schiller legt in zijn Wilhelm Teil aan den ouden edelman Attinghausen een klacht in den mond, die de Nederiandsche Adel in het jaar 1568 volmondig kon overnemen. De oude Freiherr von Attinghausen Itlaagt:

«Das Neue dringt mit Macht herein. Das Alte scheidet andre Zeiten kommen; Es lebt ein andersdenkendes Geschlecht] Unter der Erde schon liegt meine Zeit."

Dat «andersdenkende geslacht" nu, dat als het ware op het graf van den Adel is opgerezen tot ontontplooing van een leven vol kracht en schoonneid, was het geslacht, dat onder den naam van het «arme volk" voor d«« Adel nooit iets andtrs was geweest daa I het voorwerp van medelijden, hoogstens van goedwillige billijkheid. En al had zich een gedeelte van dat «arme volk" als kooplieden groote schatten verworven, het was er nog verre af dat zij daarom meerdere rechten konden doen gelden; tenminste wanneer hun rechten met die des Adels in botsing kwamen golden zij als niet bestaande. En deze groote nienigte verdiende in het oog des Adels dubbel medelijden, toen zij zich zelf ten speelbal stelde aan «allerlei wind van nieuwigheid" die uit Duitschland en Frankrijk hier overwoei; alle «woelingen en «ranken, ' die daaruit voortkwamen, werden nu het eerst en met de felste slagen verhaald op dat arme weerlooze volk.

Weinig echter had de Adel vermoed, dat dit «nieuwe'' inplaats van een dw.irrelwind te zijn die het volk her en derwaarts voerde; een geheel nieuw levenselement zou blijken. Dat yinieuwe" toch heeft over het verachte, door den adel als niets getelde volk een geest vaardig gemaakt die het bezielde met de edelste veerkracht; die het opvoerde tot een geestelijken adelst.and, tot ridders van dat nieuwe beginsel, dat bij zijn machtige doorwerking het oude tot scheiden, tot heengaan dwong, al was dat ook belichaamd in de mannen, die zich er op konden beroemen de Hooge Adel der Geboorte te zijn. Zoo was bij den aanvang der troebelen in deze landen in de i6de eeuw de verhouding tusschen de twee machtige maatschappelijke elementen die daarbij ten tooneele traden; en om op de eigenaardige tegenstelling dier twee elc menten bijzonder de aandacht te vestigen, meenden wij met volle recht boven dit opstel te kunnen schrijven : Tweeerlei Adel,

Eerst dan tot de sombere tragedie van den Adel der Geboorte! Om tot een vonnis te komen over de beide gevangen Vliesridders Egmond en Hoorne, klopte Alva aan bij den befaamden Viglius. om uit de gedïnkschriften en statuten der Orde alle mogelijke gegevens Jjijeen te brengen, noodig tot rechtvaardiging van de gevangenneming en tot verdere veroordeeling. Viglius was tegenover deze opdracht de bereidwilligheid zelve, en Viglius (Vigle van Ayta van Zuichem) was.... lid der Ordel Het was geen moeie lijke taak voor dezen gewetenlooze te vinden wat hij zocht, hij had maar grepen te doen in de gedenkschriften van voor 1531 — en toen hij klaar was riep Alva de Vliesridders samen om hun het vonnis en de onvermijdelijkheid van de uitvoering eenvoudig weg mee te deelen. Wie verschenen op die oproeping? Barlaymont, Aerschot en Viglius Waar waren de anderen? Oranje, raen weet het, was reeds buitenslands, Megen was krank ; en wat hier teekent: Mansfeldt, vleiend om de hofgunst, vergezelde Margaretha op haar terugkeer naar Savoye en .. Aremberg streed in Frankrijk onder de koninklijke banier! En wat was nu de uitslag van die vergadering? Dit: de heeren zouden zich nog over de zaak beraden. Wat die verklaring inhad en hoe Alva ze opnam, bleek al spoedig uit wat deze kort daarna aan Filips schreef: »Ik geloof, dat de heeren eindelijk naar reden luisteren zullen, wat zij nu zeggen is meest om voor hunne standgenooten niet den schijn te hebben, de rechten die aan allen gemeen zijn te hebben verzaakt."

Daar stonden nu de mannen der machtige Orde als een uiteengeslagen keurbende! Booze Ijuien hadden er de laatste jaren gewoed en die treffen het eerst en het meest de hooge boomen en zulke hooge boomen waren de Vliesridders. Ver staken zij boven den overigen Adel uit. Men raeene toch niet, dat de gulden keten van het Vlies alleen hooge eer voor den drager vertegenwoordigde, zooals onze hedendaagsche ridderorden. Neen, meer dan een bloote eervolle onderscheiding, had de wijze insteller dier orde bedoeld. Filips de Goede had begrepen, dat er een band moet zijn tusschen den vprst en het volk De vorst behoefde de liefde en den steun van het volk, en het volk maakte wederkeerig aanspraak op de handhaving zijner rechten en de voorziening in zijn behoeften. Hoe konden nu beter deze twee tot elkaar in het nauwst contact worden gesteld dan door tusschenkomst van hen, die eenerzijds tot het volk behoorend toch ander zijds door aanzien en macht en verwantschap, weer zeer nabij den vorst stonden. Geen wonder dus, dat deze enkelen hunner uitkoos om middelaars te zijn tusschen hem en het volk. En om dezulken nu bij krachtig opkomen voor de belangen der burgerij tegen de wisselvalligheid der hofgunst te schutten werden hun als ridders van het Gulden Vlies onschendbare rechten gezworen. Dit was dus de beteekenis der orde, dat hare leden geroepen waren de onafhankelijke middelaars te zijn tusschen vorst en volk.

En hoezeer zich de Vliesridders van de hooge eer ' dezer roeping bewust waren, blijkt duidelijk uit de bekende anecdote van den graaf van Megen, die van den overigen Adel eens openlijk zeide : «Als de Koning mij tweemaal honderdduizend gulden geeft sla ik ze allemaal dood!" En .dat het volk ook in den eersten tijd der troebelen nog wel terdege betrouwen stelde in de voorspraak dier Grooten bij den Vorst, daar geeft het volgende voorval een krachtig bewijs van: ünmiddellijk nadat op den 5en April 1566 de verbonden Edelen Brussel verlaten hadden, werden daar bij wijze van strooibiljetten talrijke afdrukken verspreid van een belofte, die doorging op naam der Vliesrid ders. Volgens die strooibiljetten hadden de Vliesridders op hun eed aan de edelen beloofd, dat van dien dag af de inquisiteurs noch stedelijke overheden iemand meer om zaken van den godsdienst zouden irervolgen, tenzij hij zich aan oproer had schuldig gemaakt. Margaretha riep terstond de Vliesridders, die nog «tot Brussel" waren bijeen, om te vernemen, wat er van die zaak was. En toen Egmond en Mansfeldt haar verzekerden dat door zulk een verzinsel de Vliesridders valschelijk beschuldigd waren, achtte zij het noodig terstond door omzendbrieven aan alle hooge gerechts hoven te doen weten, dat er van de zaak niets aan was. Dat teekent 1

Met dit voorval blijkt echter niet alleen, wat het volk van de Vliesridders verwachtte, maar ook wat het hof van hen vreesde, en derhalve hoe moeilijk de positie d; r ridders werd in die troebele dagen. Men voelt het, als zij zich bij Margaretha maeten verdedigen : deze toestand, waarin nóch het volk, noch de regeerinj; weet, wat aan hen te hebben, kan niet lang duren. Zij moeten een beslissing nemen; zij moeten openlijk partij kiezen! De leden der orde waren dan ook zelf van deze moeilijkheid overtuigd. In den nacht toch na de aanbieding van het smeekschrift hebben Oranje, Mansfeldt en Hoorne rijpelijk overwogen, aan welke zijde zij zich te stellen hadden, als het tot een botsing kwam en of zij ook om de handen vrij te hebben, de teekenen hunner waardigheid aan den Koning moesten terugzenden en akoo afstand doen van de Orde. Men kwam echter op deze vergadering niet tot een beslissing. Men wilde afwachten welke houding Filips tegenover de beweging zou aannemen; hieruit blijkt dat men (en tot die «men" behoorde ook Oranje) nog altijd iets, misschien nog wel »«/van Filips verwachtte; daarom liet men dan ook de oplossing van dit gewichtige vraagpunt aan de omstandigheden over; men weet het echter: de ontknooping die de omstandigheden geven mag in romantische verhalen altijd de beste zijn, die men wenschen kan; in de werkelijkheid is zij meestal de slechtste van alle. Zoo ook hier. Toen de omstandigheden zich in al de onverbiddelijkheid liunner doorwerking hadden doen gelden zagen enkelen der ridders van den Vlieze zich reeds als openlijke afvalligen gebrandmerkt, vóór zij nog zichzelf van huu afval bewust waren. Anderen zochten tevergeefs een middenweg en de meerderheid boog ten slotte weerj het hoofd naar het paleis te Brussel.

Zoo was dus de machtige Orde reeds zedelijk ontbonden nog eer haar in dien slag op den noodlottigen 5en Juni 1568 openlijk de eer geroofd werd.

Geheel hetzelfde verschijnsel valt waar te nemen bij den overigen adel. Het zijn slechts enkelen als o. a. de beide voortreffelijke Marnixen, die in de vuurproef dier moeielijke dagen bleken werkelijk edel metaal te zijn. Moeten wij als voorbeelden van wat er van de groote meerderheid werd, wijzen op den heer van Noircarmes, dat nachtelijk spooksel van laaghartig verraad De man die met zijn bloed teekende, dat hl) mede Egmond wreken zou als hem in Spanje ook maar een haar gekrenkt werd en die toch later zelf de Judasrol vervulde om Egmond aan Alva in handen te lielpen spelen! en die de aanvoerder was van.het leger der tegenorawenteling dat de gereformeerde stad Valenciennes met het wreedst geweld tot onderwerping bracht en tal van haar rijke burgers, en haar leeraars waaronder ook Guido de Brés ter gaïge of ten zwaarde verwees? En moeten wij Karel van Mansfeldt noemen, die op de vergadering tr St. Truyen bij handslag houw en trouw zwoer aan de afgevaardigden der gereformeerde consistoriën en die in dat zelfde leger der tegenomwenteling voor Valencienes streed o_m de gunst der Landvoogdes ts herwinnen? Maar wij bepalen ons liever tot vermelding van een feit dat voldoende teekent «Aremberg streed 156S hl Frankrijk, zeiden wij reeds, onder de Koninklijke banier Hij was daar echter niet alleen, maar gevolgd door honderden edelen, die de gunst des nieuwen Landvoogds zochten, of wie hun zwakke deelneming aan het verbond thans berouwde, en die daarom genade van den Koning verlangden. Onder den vorm van een krijgstocht ter hulpe das Konings van Frank-

rijk was een bedevaart van krijgslieden, „in wier rusting het meest in het oog vielen de gekruiste zwaarden en de miskelk, die zij op mouwen of mantels droegen!"

Ons dunkt deze gegevens volstaan ter kenschetsing. Toen de verbonden edelen in 1566 het smeekschrift aan de Landvoogdes aanboden, bleef de manke, de hinkende Filips van Balleiül in de voorste gelederen van den optocht niet onopgemerkt. Het volk spotte : »de zaak gaat kreupel." En deze schampere spot is later gebleken de juiste uitdrukking te zijn van een diepe waarheid. Mank toch ging werkelijk de zaak, hinken dat deed de adel: hinken, op twee gedachten, een leidend beginsel ontbrak totaal, tot de onverbiddelijk noodige keuze tusschen de partij van den absoluten koning en den ontwakenden vrijheidïgeest kwamen zij niet,

( Wordt vervolgd^

J. KAMP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Tweeërlei Adel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1889

De Heraut | 4 Pagina's