Cweeerlei Adel.
Wat het licht voor onze oogen, de lucht voor onze longen is, dat is eenmaal het Calvinisme geweest voor ons vaderland: de bron zijner sterkte en van zijn bestaan. Dr, v VLOTEN, (Gesch, V, d Nederl. Opstand, ) e n ddr k
II, t w
II, Wankelmoedigheid en onbeslistheid wezen wij aan ls de kenmerkende trek van den Nederlandschen adel, n de dagen toen een beslist kiezen tusschen de partij an den abs'oluten Koning en den ontwakenden vrijeidsgeest ook voor hun eigen behoud noodig was. Groen van Prinsterer teekent ons den adel dier agen als verarmd door oorlogsuitgaven, meer nog oor de weelde van het hof. De groote heeren diep n schulden, meerendeels (ook bij gebrek aan afleiding n den krijg) onrustig, woelziek, tot verandering niet ngeneigd, vooral dit laatste verdient de bijzondere andacht. Waarlijk de edelen hadden wel een zeer ongoedertieren volle" moeten zijn, hadden zij geen eernis gevoeld met en geen verandering gewenscht oor dat groot getal hunner landgenooten, die Hooft ons met treffenden eenvoud teekent als «persoonen, envoudigh, onnoozel (onschuldig) en die gewisselyk iet dan God en hunne zaaligheidt zochten en toch esoorteert met de snoodsten, wreedelyk om lyf en oedt werden gebracht" Maar wat stellig den Edelen niet minder naar verandering deed haken; wat onroonisch evenzeer als roomsch een doorn in het oog, een kwelling der ziel was, dat is de stand van zaken, dien Hooft op dezelfde folio teekent in deze woor den: »De Greoten 's Lands en getytelde Heeren gewoon den vorsten naest aan 't hart te liggen en met de blaakenste straelen zijner jongste (gunst) bescheenen te worden, zaaghen zich verschooven en de vreemde linghen in bezit des Konings." Welk een verschil was dat met vroegere tijden ! Wat had zich de Neder landsche Adel, die gewoon was, door Karel V gevierd te worden onder diens hooghartigen Spaanschen zoon Filips al een, achteruitzetting en vernedering moeten getroosten. Een woelig en jolig leven had den ze geleid; eer en roem hadden ze vooral in den oorlog tegen Frankrijk bevochten; en waren al soms door krijg en overdadige festijnen hunne geldmidde len uitgeput, er waren altijd nog wel bronnen, die ter vergoeding rijkelijk vloeiden. Daar waren bis schopszetels, proostdijen en andere kerkelijke waardig heden, die eer en goed brachten ! Doch thans ? Uit al die waardigheden zagen zij zich verdrongen door mannen van burgerlijken bloede, door mannen zoo als o. a. den bekenden bisschop Sonnius, van Den Bosch, van de laagste burgerlijke afkomst. De jolige, bah.ketteerende geestelijken uit den adelstand waren verdreven door stoere zwartkappen, die men tevens te schuwen had als voorboden van de grootste verschrik king dier eeuw . , , , de Spaansche Inquisitie ! En als men dan ook vraagt wat het was, dat heel en halt roomsch en heel en half hervormd onder den adelstand ver eenigde tegen de politiek van Filips dan kan veilig'en zeker geantwoord worden: niets anders dan weerzin, gloeiende haat van allen tegen de kerk en priesterheerschappij! w l oggrpdtn v n rra n r u
En als er een ouder de edelen was, die & i.zx onverholen vooruitkwam dan is het zeker de tot woestheid toe haftstochtelijkei Bredero geweest. Beter echter dan uit welke verklaringen ook blijkt dat uit een voorval, waarbij dezelfde hartstochtelijke Breeroo de hoofdrol vervulde en dat Bakhuijzen ons als volgt meedeelt:
»Egmond was op het punt naar Spanje .te vertrekken, om de grieven der Nederlanden voor den troon des Konings te brengen. Zijn vertrek was een zegepraal der oppositie, en wat aan Egmond verbonden was, begeleidde hem tot Kamerijk. Hier verwachtte hij een vrijgeleide des Konings van Frankrijk; want waarschijnlijk vreesde men voor den graaf nog minder de gramschap des Konings dan den wrok van Granvelle die zelfs in Frankrijk door zijn aanhangelingen de vei ligheid van den aanzienlijksten heer uit de Nederlanden in gevaar kon brengen. Die bezorgdheid was het onderwerp van het gesprek aan tafel van den aartsbisschop van Kameri]k. Egmond was daar met de overige Nederlandsche grooten, met Brederode, Culemborgh, met den jongen graaf van Mansfeldt, met Wariusel, waarschijnlijk ook met Noircarmes en Hoogstraten. «Een heer zoo kloek en braaf als de graaf, " zei, .iemand «ware niet licht weder te vinden!" en Culemborgh had de onbeleefdheid zich daarop tot den aartsbisschop te richten, met de opmerking, dat een nieuwe aartsbisschop, zooals hij er een was, ge reeder waar bleef. »En een graaf van Egmond zou niet moeielijker te vinden zijn, dan een nieuwe aarts Ijisschop van Kamerijk", antwoordde de kerkvoogd. Tot dusver ging alles in scherts, maar de wijn had Bredero kriegel gemaakt; hij zette een vuist tegen den bisschop; een wenk van Egmond hield hem terug. Het drinken ging zijn gang: de bisschop bracht Bre dero een dronk toe met de gewone verzekering, dat hij hem tot allen dienst bereid was. «Van u wacht ik noch dienst noch genoegen", antwoordde Bredero zoo min als ik ze voor u over heb; en bescheid breng ik u nieti zoolang de graaf het mij niet beveelt." «Dan is het de graaf en niet de heer van Bredero, dien ik daarvoor te danken zal hebben, " hervatte de bisschop." — «Dank wien gij wilt, mij gaat het niet aan; de heele wereld weet, wat voor een olijke dikzak gij zijt." - «Ik ben een man van eer en zal het blijven, spijt elk, wien het leed is!"' Nog eenige malen bromde de bisschop die verzekering half luid, totdat Bredero, zijn toorn niet langer meester, het zilveren waschbekken, dat op de tafel stond greep, en daarmee den bisschop naar het hoofd wierp. Egmond greep Bredero vast; allen stonden van de tafel op; de maahijd was gebroken; men wilde de twistende partijen sussen, maar de halfdronken gasten, die het beproefden, wierpen olie in het vuur Vóór alles de jonge graaf van Mansfeldt, die toen hij den bis schop bezwoer het gebeurde niet kwalijk te nemen en te bedenken, dat zijn oom wat veel gedronken had, van den bissche^ ten antwoord kreeg: dat hij te oud en te wijs was om lessen van een jongen knaap te ontvangen. Een knip voor den neus en de verzekering, dat hij — zie — zooveel! niet om den bisschop gaf, was Mansfeldt's wederwoord. Culemborgh. niet_ meer nuchtfiren dan al de overigen mengde zich in het geschil en zwoer, dat al de edelen het voor Bredero zouden opnemen, en de bisschop zag zich gedwongen voor de verhitte hoofden te wijken en het vertrek te verlaten."
Op deze wijze had te Kamerijk de Adel eens recht lucht gegeven aan zijn reeds zoo lang verkropten haat en bittere spijt; daar was nu de aap eens recht uit den mouw gekomen. Tal van zulke tafereeltjes zouden we kunnen ophalen die, het eene in. woestheid, het andere in koddige boertigheid voor het bovenbeschrevene niet onderdoen. En die alie blijken om het zeerst niet anders te zijn, dan uitingen van kwalijk verkropte spijt tegen de kerk en haar priesters, tegen dien zwerm van zwart gskapte nachtvogels, die geheel het land dreigden te overdekken, die met hun eer en aanzien en hun geld en goed zouden gaan strijken. En als wij nu zien dat geheel het optreden van dien adel een aaneenschakeling van zulke daden is, dan komen wij tot de vraag: Was er ook wel iets anders van hen te Witchten? — en het antwoord is niet ver te oeken: Kleinzielige zelfzucht kan nooit prikkel tot aarachtige daden zijn; kan nooit tot iets anders leien, dan tot een gaan en keeren van rechts naar links, ur prendre son bien oü Ion Ie trouve. Lafhartig weilen, angstvallig tobben over de mogelijke uitkomst, de kenmerkende trek van de houding des adels; ij deden daarin niet onder voor den grooten weifear Hamlet. En daar ook zij alzoo de ontknooping an de omstandigheden overlieten, trof hen ten slotte een beter lot dan dezen weifelaar bij uitnemendheid. Zoekende het hunne, waar zij meenden het te kunen vinden, sloten zich de Edelen aanvankelijk aan bij e beweging der Hervormden. Men onderscheide hier el: niet bij de hervorming sloot zich de adel aan, aar bij de beweging der Hervormden. De meesten unner toch, zoowel onroomsch als roomsch, waren in et diepst van hun hart afkeerig van eiken gsdsdienst, ie zich in concreten vorm openbaarde; de meesten unner waren op het punt van godsdienst rechte allio's; de besten onder hen waren slechts Nicodenussen: maar de beweging der Hervormden, kantte ich tegen de dreigende macht der geestelijke zwartappen, die, ja, ook de bloedzwelgers waren van het nnoozele volk, maar niet minder de belagers van de oorrechten des Adels! En dat laatste gaf voor de delen den doorslag; bij de beweging der Hervoring sloten zij zich aan, niet om ze te steunen, aar om er steun bij te vinden! Deerlijk echter eeft hun berekening gefaald. Den geest der Hervoring hebben de edelen mee helpen oproepen, zonder e voorzien dat zij daarmee een macht in het harnas ielpen steken, die evenzeer den ondergang van hen elf als van hun vijand zou werken. Doch ook de annen der Hervorming zelf, hadden zulk een uitomst stellig niet vermoed; veeleer hebben zij — en adel niet kennende — diens steun alleszins onisbaar geacht. Dit blijkt duidelijk uit het volgende:
Tegen den iSden Juni van het jaar 1566 was er en groote vergadering belegd te St. Truyen, om tot adere aaneensluiting te komen tusschen den adel en e hervormingspartij. Was er van weerszijden afzonerlijk reeds een verbond gesloten, op deze vergade ing zouden het compromis der Edelen en dat der ooplieden elkaar de hand reiken, elkaar houw en rouw zweren. Daartoe verscheen te St. Truyen al at er aanzienhjks en schitterends tot den Nederandschen Adel behoorde; daar kwamen zij uit alle orden des lands bij statige groepen op fiere, blinkend eharnaste rossen met ontplooide banieren aangetoen, getooid in mantels van fijn laken en fluweel, ijkelijk met goud en zilver gestikt; met wuivende luimen op hun sierlijke Fransche of Spaansche hoeen. En niet minder fier dan op dien uiterlijken schiterglans waren velen hunner op hun eeuwenoude amen; te St. Truyen werd naast de Breero' en de Culemborgh's en zooveel anderen ook de naam der Nassau's genoemd.
Eveneens uit alle oorden des lands waren naar deze ergadering opgekomen de afgevaardigden der Calviistische kooplieden en der Gereformeerde consistoiën. De kooplieden en de consistoriën! Deze namen oepen onze verbeelding terstond naar een geheel ndere maatschappelijke sfeer dan die des adels. Het gemis aan allen uiterlijken glans en tooi bij deze manen; hun verschijnen in allen rustigen eenvoud, wijst eeds terstond aan. dat zij de vertegenwoordigers zijn van die klasse, waarop de Adel nog altijd slechts met goedwilligheid uit de hoogte nederzag, doch die weldra blijken zou op hoogere waardeering alle aanspraak te hebben. Zien wij nader wie zij waren.
In de meeste groote steden hadden zich de Gereformeerden tot geheime gemeenten aaneengesloten. Deze geheime gemeenten bestonden gewoonlijk uit een klein getal personen; meest allen kloeke, vastberaden mannen. Zij maakten de kern, de kracht it van de Nederlandsche Calvinisten; zij werden geleid en onderwezen door uitheemsche, meerendeels Fransche predikanten en bestuurd door de consistoriën. En bestonden deze gemeenten voor de buitenwereld geheel in het geheim, van elkaar wist men wel terdege af. De consistoriën der verschillende plaatsen onderhielden met elkaar levendige briefwisseling in geheimschrift. Vertrouwde personen deden dienst als boden tot het bezorgen dier correspondentiën aan de meest geheime en zinnebeeldige adressen. Zoo heette Antwerpen bij hen de Wijngaard^ Doornik de Palm, Gent het Zwaard; Oranje heette Marten Willemsa. Hoe meer echter de strijd voor de gewetensvrijheid een strijd werd tegen vreemde overheersching, en voor de aloude voorrechten, zoowel van geestelijken als van edelen en steden; hoemeer toen ook deze consistoriën openlijk optraden, met de stoutheid aan alle vastheid van beginsel eigen. In één adem met deze consistoriën noemden - we reeds de Calvinistische kooplieden, en dat kan ook niet anders: deze twee hooren onafscheidelijk bij elkaar We hebben hier eigenlijk slechts te doen met tweeërlei benaming voor eenzelfde groep van mannen; en vertegenwoordigt ons de eerste naam meer in het bijzonder het hooge heilige beginsel, dat deze mannen tot hun krachtdadig optreden dreef, kooplieden noemen wij hen niet zonder daarbij terstond te denken aan dat machtige middel waarover zij beschikten om den eens aangebonden strijd ten einde toe vol te houden. Hoe hoog men toch den moed der Calvinisten schatte; moed zonder middelen zou een totaal onvoldoend gegeven zijn geweest voor een strijd als-deze weinige mannen aanvingen tegen een vorst in wiens rijk de zon niet onderging. Van de zee kan men zeggen is middellijkerwijze onze ver« lossing gekomen; niet alleen omdat op onze toen reeds aanzienlijke handelsvloot Hollanders en Zeeuwen zich tot de stoutste zeevaarders der wereld vormden om straks als watergeuzen de schrik der Spaansche galjoenen te zijn, maar meer nog, omdat die vloot de Nederlanden dier dagen maakte tot het middelpunt van den wereldhandel. Voor de Nederlanders was de zee de groote weg, waarlangs zij de rijke voortbrengselen van Noord en Zuid voor elkaar uitwisselden; daarbij winsten wervend, overal elders ongekend Zoo waren onze kooplieden niet alleen mannen geworden ruim van blik, en met een open hart voor veel wat de Adel in enghartige bekrompenheid als iinieuw" veroordeelde maar ook mannen, wier macht en invloed de adel ten slotte erkennen moest. En al waren nu sinds de dagen der vervolging deze rijke kooplieden een begeerlijke prooi geweest voor de hebzuchtige trawanten der Roomsche kerk; zoodat hun geboortegrond hun vaak geen veilige schuilplaats meer bood en zij hiin verbeurd verklaarde goederen te Emden, Wezel, Danzig, in Engeland of in zooveel andere Pella's als de Heere voor hen openstelde, moesten betreuren, bij dat betreuren lieten zij het niet. Met soms onbegrijpelijke energie wisten deze mannen als ballingen hun verloren penningen te herwinnen; en eens weder rijk, waren zij het niet allereerst voor zichzelf, maar eerst "en meest voor de zaak, die het gold, voor de heilige zaak der gewetensvrijheid! Wat men ook in later tijd op rekening schrijve van kleinzielige baatzuchtige koopmanstactiek; hoezeer die ook terecht in later tijd de tekst van menige satyre ge weest zijn, het hooge beginsel, dat de drijfveer was van de Calvinistische kooplieden der i6e eeuw, is machtig en heilig genoeg gebleken, tot wering van alle baatzucht, den koopmansstand van nature eigen; veelmeer geleken deze mannen in dit opzicht grootmoedige edellieden Op de beroemde vergadering van St Truijen gaven zij reeds een doorslaand blijk van wat zij voor hun beginsel over hadden Was er toch te St. Truijen ^aanvankelijk van den onderling verdeelden adel niet veel anders te verkrijgen geweest dan de belofte, dat zij de afschaffing der plakkaten bij den Koning zouden bewerken; aan de zelfopofferende grootmoedig • heid der Calvinistische kooplieden is het te danken, dat tot krachtiger optreden besloten werd; door de belofte van geld drongen zij den adel om meer te doen. Zij verkregen de verzekering, dat zij voortaan om des geloofs wille niet meer vervolgd zouden worden; volle bescherming werd hun bij handslag door den adel toegezegd. Teekenden de edelen hun weidschklinkende namen, om daardoor invloed te oefenen op den Koning, wat verder tot bereiking van het ideaal der vrijheid noodig zou zijn: geld! en nog eens geld! dat zouden de kooplieden schaffen. Hunne beurzen van duizenden en duizenden boden zij den berooiden adel tot steun in hun ondernemingen. Zoo scheen men dan op die beroemde vergadering van St. Truijen tot de gewenschte saamwerking gekomen. Doch ook hier zou al spoedig blijken, dat de wegen der menschen niet Gods wegen zijn. De burgers hadden wel hooge verwachting van de medewerking der edelen, maar ook hier in de felle beproeving, in den forschen strijd die aanstaande was, zou het woord bewaarheid worden: «niet vele edelen, niet vele machtigen naar den vleesche"; een algeheele schifting en scheiding der twee verbonden machten volgde nog in datzelfde jaar 1566. Met onrustbarende snelheid toch volgden elkaar in dat jaar de feiten op; en — zooals het gewoonlijk gaat in dagen wanneer een toekomstige worsteling zich nog slechts aankondigt door spanning — die feiten waren alle in oorzaak al even onbewust en onbepaald als verreikend in uitwerking en gevolgen. Terecht is dan ook het jaar 1566 het jaar der gebeurtenissen het wonderjacir, genoemd.
En nu is zeker niets onfeilbaarder toetssteen tot het keuren en kennen der geesten; nu is zeker niets beter geschikt de meest verholen bedoelingen der geesten openbaar te maken dan juist die klemmende drang der feiten. Dat ondsrvonden de Edelen. Al die stormen en booze buien, die achtereenvolgens losbarstten brach ten hen tot de ontdekking, dat zij onder een lucht, dat zij in een sfeer waren, daar zij niet zijn wilden, en niet hoorden, omdat zij de machten die er woelden, niet kenden en niet konden belieerschen. Het meest afdoende der bovenbedoelde feiten was stellig de beeldenstorm, die als een donderslag uit een helderen hemel over deze landen losbrak. Der Landvoogdes sloeg de schrik om het hart; instinctmatig zocht zij den steun des Adels en — het volgt uit wat wij opmerkten — zij zocht dien niet tevergeefs. Schoone voorspiegelingen, beloften waarvan men voelen moest, dat Filips ze toch niet zou inwilligen, waren zelfs voldoende om de edelen tot dubbele eedbrekers te maken; tot algeheele ontbinding van hun schitterend verbond lieten zij zich vinden en daarmee braken zij sevens den duren eed van bescherming, dien zij der Calviijistische burgerij hadden gezworen.
Daar stonden nu de mannen uit het volk geheel verlaten; door geen voorspraak en hulp van machii gen en aanzienlijken meer beschermd tegen het zwaard van den beul! En blijkbaar was dat zwaard niet meer af te-kieren. Wat al smeekingen hadden »do ge loovigen, die in de Nederlanden zijn, gebracht voor den troon •' van den «onverwinnelijcken Koning Philippus, hun oversten Heer." Reeds in 1562 toen zij te hunner rechtvaardiging hun belijdenis openlijk de Koning aanboden, hadden zij gesmeekt: «Verleen ons dan ten minste genadige Heer! hetgeen niemand weigeren kan aan de beesten, namelijk ons klagend roepen, als van verre tot Uwe ooren te laten komen, opdat zoo U.M. ons gehoord hebbende, ons schuldig bevindt de vuren dan vermeerderd en de tormenten vermenigvuldigd zullen worden in Uw Koninkrijk. En integendeel, zoo onze onschuld voor U openbaar wordt, dat gij ons dan zijt een steunsel en toevlucht tegen het geweld onzer vijanden." En zeer naïef merken zij op: »Het is niet genoeg te beschuldigen, alles is gelegen in het bewijs." En iets/^s'^» hen bewijzen kunnen «y zelfs niet die in 's Konings naam en macht «zich tot alle wreed heid begeven, om te pijnigen en te tormenteeren." Zij hebben alleen de vreeze Gods voor oogen, ver schrikt zijnde van dat dreigement van Jezus Christus, die zegt: dat Hij ons zal verloochenen voor God zijnon Vader, zoo wij Hem verloochenen voor de menschen «Wij bieden — zeggen zij — den rug den slagen, de tong den messen, den mond den breidelstokken en het gansche lichaam den vure, wetende dat wie Christus volgen wil zijn kruis op zich nemen, en zichzelven verloochenen moet." —En als zij den Koning op het groot aantal hebben gewezen dergenen die in zijn landen de Religie houden en volgen, van welke zij de Belijdenis den Koning aanbieden, dan laten zij de hartroerende smeeking volgen:
«Helaas! Zoo gij Uwen arm uitstrekt om dien in het bloed van zooveel menschen te weeken en te wasschen. o. God wat vernieling zult gij doen onder Uwe onderdanen, wat wonden in Uw volk, wat - weeningen, wat verzuchtingen, wat kerraingen - ^ vrouwen, van kinderen, van maagden en vrienden! wat oog is er, dat niet in tranen zal baden als het zal moeten zien, dat zoovele eerlijke burgers van elk bemind, van niemand gehaat na een duistere gevangenis, na pijniging en verdrukking overgeleverd worden tot zoo schandelijken dood en tor ment, het allerwreedste en vreemdste, dat zelfs de heidensche en onheilige tyrannen hebben kunnen uitvinden."
Zulke smeekingen waren herhaaldelijk aan 'sKo nings ooren gebracht; en waren zij al tot zijn hart doorgedrongen; de invloed der geestelijke machten was sterk genoeg op Filips, om hem tot het uiterste te doen volharden in wat zij hem als zijn heilige roeping voorhielden. Nog éen middel zouden nu de kooplieden beproeven tot wering van het zwaard van den beul; een middel waardoor zij tevens afdoend zouden bewijzen, dat zij niet waren, wat men hun nagaf: «woelzieke nieuwsgezinden; mannen die tot eiken prijs omverwerping van het bestaande wilden, " maar integendeel mannen, die tot eiken prijs «de goede ruste wilden mainteneeren"; alleenlijk niet tot den prijs hunner gewetensvrijheid, niet tot den prijs der verloochening van hun Heer, dien zij niet alleen in het verborgen, maar ook in het openbaar, voor het oog der gansche wereld wilden belijden Met de hun eigene beslistheid en offervaardigheid besloten zij, aan Filips een smeekschrift te verzenden, waarbij zij aan 1-M. voor de som van niet minder dan drie millioen gulden volle vrijheid van godsdienst vroegen Doch ook deze uiterste poging bleek een vergeefsche. Filips achtte het een poging tot omkooping; hij weigerde - en daarmee was de teerling geworpen ; daarmede was wederzijds het laatste woord gesproken; er stond nu geen andere weg meer open dan die van it daad! Had alzoo Filips de uitroeiing der Christelijke gemeente tot onveranderlijke voorwaarde'van bevrediging gesteld, de Gereformeerden, achtten zich niet gehouden, langer hun hoofd onder het slagzwaard van den beul te stellen, nóch om in ballingschap te sterven, nóch om de kerk aan de dweepzucht van den Landsheer ten offer te brengen. Het oogeublik door henzelf voorspeld was eindelijk gekomen: het gruwzaam tormenteeren was eindelijk zoover gedreven, dat pok «het geduld van den allergoedertierensten en zachtmoedigsten" ge tergd was «tot gramschap en wanhoop", en den Cal vinisten stond nu geen andere weg meer open, dan tot werkelijkheid te maken, wat met onuitwischbaar schrift in hun verbond geschreven stond: «Nous Marchans soubsignez, conseillé au faict de notre conscience, nous nous sommes bien voulu donner la main d'association pour empescher quelque loj' laquelle contrevient au debvoir qu'avons a Dieu Nous promectons et jurons par solempnel et inviolable serment a Dieu, que i i'advenir n'endurerons, en la^on que ce soit que aulcune moleste ou recherche nous soit faite pour Ie faict de la religion de nostre conscience Prenans Dieu pour témoin de nostre intégrité lequel nous prions nous vouloir pourveoir de conseil, force et dextéritè, pour la maintenir non seulement d'escript et paroUes, mays y employer noz propres corps et biens!'' Dat hadden zij gezworen met een plechtigen, onveranderlijken eed — en Spanje zou het ervaren wat zulk een eed van zttlke mannen beteekende!
{Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1889
De Heraut | 4 Pagina's