Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Den laatsten tijd liet de Heraut zich

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Den laatsten tijd liet de Heraut zich

5 minuten leestijd

Amsterdam, 24 Mei 1889.

weinig in met de kerkelijke procedures, die voor de onderscheiden Rechtbanken en Hoven aanhangig waren gesteld.

Ze boezemden ons geen belanstelling meer in, en het was ons eene verademing, dat tamelijk algemeen de overtuiging veld won, hoe voorshands in burgerlijken rechten de zaak voor ons beslist en de noodzakelijkheid om zelf te handelen geboren was.

Zelfs konden we danken voor het feit, dat ten gevolge van deze ongunstige rechterlijke beslissingen, het vrijwiUigheidssysteem, waar we altoos op aandrongen, thans het algemeen geldende wierd; en tevens dat door het verlies van geld en goed niemand met en voor ons kon kiezen, dan die dit deed uit innerlijke gelooisovertuiging.

Dit toch is altijd de groote winste, zoo men u berooft, dat men u daardoor tevens bevrijdt van de meêloopers en hypocrieten, om u enkel met hen saam te laten, die met u door gelijke geestdrift voor de Belijdenis uwer kerk bezield zijn.

Toch zij het ons vergund ditmaal een uitzondering te maken voor de procedure in zake de kerk van Zuidwolde, voor het Hof te Leeuwarden aanhangig.

Hierbij toch greep het exceptioneele plaats dat één onzer. Ds. Hulsebos, zelf het pleidooi voerde; dat hierdoor een principieele behandeling der zaak mogelijk wierd; en dat dit proces ook meer de aandacht trok.

Op dit pleidooi van Ds. Hulsebos heeft de Procureur-Generaal in de zitting van het Hof d.d, 3 April 1889 dan ook van Conclusie gediend^ en meer dan één zijner collega's zich de moeite gegeven, om tot het fond der zaak door te dringen.

Hiermee is één onzer ergernissen weggenomen. Immers wat ons niet weinig griefde was juist dat de rechterlijke macht keer op keer vonnis sloeg, zonder nota te nemen van het eigenlijke punt waar het geschil over liep.

Toch is het niet hierop dat we thans komen wilden. Critiek toch op zulk een breed gemotiveerde conclusie is alleen in een afzonderlijk geschrift te leveren. En deze critiek nu komt vanzelf bij de behandeling dezer zaak voor den Hoogen Raad, en voorts, naar we vernemen, • in een tweede editie van het pleidooi van Ds. Hulsebos, met naschrift tot repliek.

Maar wat ons wel tot spreken noopt is de peroratie van den Procureur-Generaal.

Deze toch eindigde aldus:

Ten slotte nog één woord naar aanleiding der opmerking in de conclusie van eisch in hooger beroep voorkomende, dat, gesteld dat zij, appellanten, zich van de Ned. Herv. Kerk hadden afgescheiden, geen plaats is.

Deze opmerking moge in thesi generali niet van allen grond ontbloot zijn, de ontzetting van appellanten van hun lidmaatschap der Kerk moge overbodig kunnen worden geacht, zeker is het, dat zij door die over hen uitgesproken censuur niet geschaad zijn, wanneer mocht kunnen worden aangenomen, dat die hen, als niet meer tot de Kerk behoorende, niet meer heeft kunnen treffen; — maar bevreemdend is het zeker eene zoodanige op-' merking te hooren uit den mond van appellanten, die evenals allen, die met hen, gelijk zij zich uitdrukken, het Synodale juk hebben afgeschud, — instede van het voorbeeld te volgen van hen, die in den jare 1839 en later ook om des geloofswille de Ned. Herv. Kerk verlatende, vrijwillig de voorrechten aan het lidmaatschap van die Kerk verbonden, waarop zij geen aanspraak meer hadden, prijsgaven, en zich tot een afgescheiden Gereformeerd Kerkgenootschap vereenigden, voor zichzelven niet anders vindiceerende, dan vrijheid tot uitoefening van hunnen godsdienst; — trots hun ondubbelzinnig breken met de Ned. Her/. Kerk, trots de verklaring dientengevolge door het hoogste gezag in de Kerk over hen uitgesproken, dat zij geacht moeten worden niet meer tot de Kerk te behooren, en trots hunne ontzetting van hun lidmaatschap door het daartoe aangewezen kerkelijk gezag, desniettegenstaande, teneinde in het bezit te blijven van de aardsche goederen der kerk, zich bij voortduring blijven gedragen als leden der Kerk, zich rechten en bevoegdheden blijven aanmatigen, die zij uit kracht der bestaande wettige verordeningen rechtens hebben verloren, en tot dat einde de Kerk in hare grondwettige instellingen aantasten en verzet tegen en ongehoorzaamheid aan de wetten en het kerkelijk gezag prediken en bevorderen; — tegenover personen, die aldus handelen en zoodanige houding tegen de Kerk aannemen, kan bezwaarlijk en allerminst door die .personen zelven, der kerkelijke autoriteiten eene grieve gemaakt worden, dat zij zoo krachtig mogelijk optreden en alle'wettige, hun ten dienste staande middelen aanwenden tot verdediging en handhaving van de rechten en belangen der Ned. Herv. Kerk.

Tegen deze peroratie nu hebben we één overwegend bezwaar, dat de Procureur-Generaal Mr. G. A. Visscher, ons als rechtskundige zelf zal moeten toegeven.

Namelijk, al hetgeen Mr. Visscher hier zegt is volkomen juist, zoo men staat op het standpunt der Synodalen, en dus overtuigd is, dat de Doleerenden elk reebtom te handelen gelijk ze deden, niet alleen misten, maar zelfs niet achten konden het recht tot zulke handelingen te bezitten.

Ware dit nu zoo, en had men in Ds. Hulsebos en de zijnen te doen met mannen, die metterdaad zelf wel wisten: „We hebbea geen recht, om alzoo te handelen", en die desniettemin zich toch zulke rechten aanmatigden, dan natuurlijk had Mr. G. J.

Visscher volkomen gelijk, en ware misschien een dergelijke apostrophe in den mond van den Procureur-Generaal niet misplaatst geweest.

Maar zoo staan de zaken niet.

Ds. Hulsebos en de zijnen komen in appèl bij den rechter, om juist door den rechter zich gehandhaafd te zien in rechten, die ze voor God en menschen uit innige overtuiging verklaren te pretendeeren.

Met name Ds. Hulsebos heeft door zijn prijsgeving van een zeer hoog traktement getoond, dat hij een man van karakter is, en zijn pleidooi kan geen anderen indruk hebben gemaakt, dan dat hij sprak uit volle, innige, warme overtuiging.

En nu willen we den heer Procureur-Generaal toch gevraagd hebben, of het strookt met het denkbeeld van den rechtsstrijd voor den rechter, dat het Openbaar Ministerie, eer het Hof nog uitspraak deed, zich aanstelt tegenover Ds. Hulsebos c. s. als ware het reeds uitgemaakt dat hij zou veroordeeld worden; ja, erger nog, zich aanstelt, als hadde Ds. Hulsebos c. s. gehandeld zonder innerlijke overtuiging omtrent hun goed en deugdelijk recht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Den laatsten tijd liet de Heraut zich

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1889

De Heraut | 4 Pagina's