In het Synodaal Genootschap, en dit
verheugt ons zeer, neemt de actie gaandeweg toe.
Zoo is nu Dr. Van Ronkel weer voor den dag gekomen met een smeekbrief, dien hij uit alle oorden des lands aan de Haagsche Synode wil zien opgezonden, en wel van dezen inhoud: Aan de Algem. Synode der
HooG EERWAARDE HEEREN !
Hoewel de bejegening in Uwe Synodale Vergadering van het vorige jaar aan ons bescheiden Adres in zake van Reorganisatie der Kerk ten deel gevallen, ons smartelijk heeft aangedaan, gevoelen wij ons evenwel in onze conscientiën voor God en de Gemeente des Heeren gebonden, om wederom, ook nu, op dezelfde gronden, door dezelfde drangredenen geleid, met hetzelfde verzoek, maar nu nader omschreven, ons tot UHoogEerwaarden te wenden.
Wij vragen andermaal, dat het UHoogEerw. moge behagen, ter voorkoming van grooter ellende in de Kerk en tot samenhouding van hetgeen anders dreigt uiteengerukt en verstrooid te worden, een Voorstel van Wet, langs den bij het Reglement voorgeschreven weg, tot de Kerk te doen uitgaan, waarbij de Kerkorde meer in overeenstemming wordt gebracht met de Kerkleer.
Bij het gewagen van Kerkleer bedoelen wij bepaaldelijk dat tal van Artikelen onzer Nederlandsche Geloofsbelijdenis, die, Art. XXX—XXXII, de eerste grondbeginselen, leidende gedachten en breede grondslagen eener Gereformeerde Kerkregeering bevatten en duidelijk uiteen zetten.
Indien wij deze trits Artikelen, op zich zelve genomen, als zelfstandig geheel tot maatstaf en richtsnoer eener Gereformeerde Kerkorde UHoogEerw. voorstellen, doen wij dit in navolging van de luisterrijke Synode van Dordrecht, die volgens de Zitting 144, bij het vaststellen der Kerke-orde van 1619, in dit stuk juist evenzoo handelde; door namelijk Art.
XXXI en XXXII op zichzelf te houden en afzonderlijk te overwegen.
Mocht, onverhoopt ook deze onze poging bij UHoog-Èerw. schipbreuk lijden, dan wenschen wij, gedachtig aan de klagende weduwe uit de gelijkenis, van jaar tot jaar met ons verzoek bij UHoogEerw. in bescheidenheid terug te komen, zoolang de Heere ons hier het leven laat; en na ons verscheiden zullen anderen uit de Gemeente des Heeren ditzelfde blijven doen.
Want, HoogEerw. Heeren! Wij zijn innig overtuigd van ons goed recht in dezen, van de heiligheid des beginsels, dat ons daartoe dringt, en van het onbaatzuchtig doel, dat wij najagen, alleen ten heil dier Kerk, die ons als aan UHoogEerw. Heeren! dierbaar is; alleen ter eere van dien Heer der Kerk, die ons zulks gebiedt, en die over uwe samenkomsten mildelijk de stroomen des Heiligen Geestes moge uitgieten en U allen zegenend nabij zij.
Van UHoogEerw. Heeren, de nederige dienaren, PHIL. VAN RONKEL, V. D. M.
F. J. Los, Ouderling.
J. J. GROEN, Ouderling.
Leiden, Juni 1889.
Dit is, gelijk men ziet, een ««(f^r standpunt, dan Dr. Van Ronkel in zijn jongste vlugschrift innam. Toen was conditio sine qua non, dat Art. i en 11 van het Synodaal Reglement zou blijven; thans zwijgt hij van dit beding.
Dit is vooruitgang en toont dat ook Dr.
Van Ronkel thans de Organisatie in haar geheel; dus het Collegiale kerkrecht; en diensvolgens de Genootschapskerk in beginsel prijs geeft.
Toch is de nieuwe vondst, die hij er thans op heeft uitgedacht, niet bijster gelukkig.
Hij wil namelijk dat de Haagsche Synode Art. 30, 31 en 32 van onze Confessie af zal zonderen van het overig deel der Belijdenis, en op zichzelf als uitgangspunt van nieuwe organisatie zal nemen, om de kerkenordening met de leer der kerk in overeenstemming te brengen; en meent hij hiervoor een historisch precedent te hebben gevonden in wat de Synode van Dordrecht in de 144e zitting op 29 April 1619 deed.
Toch zal Df. Van Ronkel dit beroep op de historie moeten loslaten.
Vooreerst toch verheelt Dr. Van Ronkel zelf niet, dat de Dordsche Synode niet Art. 30, 31 en 32 afzonderlijk ge lezen en geconfirmeerd heeft. Dit geldt alleen van Art. 31 en 32. Een schrijffout is de bijvo^ing van Art. 30 echter niet, want hij zegt uitdrukkelijk dat hij een ^r«Ï5 artikelen bedoelt; en ook in de Acta van Dordt is het geen drukfout, want de Synode spreekt van de beide artikelen. Zelf noemt Dr. Van Ronkel dan ook de eene maal Art. 30, 31 en 32, en de andere maal alleen Art. 31 en 32.
Doch ook het motief dat hij aanvoert is onhistorisch. Dat op de Synode te Dordt de Art. 31 en 32 apart gelezen zijn, vond uitsluitend zijn grond in de aanwezigheid van den Engelschen bisschop. Die zou natuurlijk tegen Art. 31 en 32 zijn opgekomen, en aan dat protest wilde de Synode zich niet blootstellen. Zij wachtte dus tot de bisschop vertrokken was, en confirmeerde toen ook Art. 31 en 32.
En ten derde mag het geenszins voorgesteld, alsof de Synode van Dordt Art.
31 en 32 op zich zelf nam, buiten verband met Art. 1-30 en 33-37. Want waar Dr. Van Ronkel in overweging geeft de 3 5 Artikelen voorshands te laten slapen, begon de Synode van Dordt juist omgekeerd, met deze 35 Artikelen op den voorgrond te plaatsen en eerst af te doen.
Het historisch precedent zal dus allereerst cqrrectie eischen, daar Dr. Van Ronkel geen adres kan laten teekenen, waarin van twee op drie Artikelen^ gesprongen wordt. En ten andere, ook al vat men het bij derde vergelijking op, dan nog zal de aanloop anders moeten worden, daar de Synode van Dordt Art. 31 en 32 juist daarom apart nam, omdat deze Artikelen niet zoozeer de leer golden, als meer „de methode ofce maniere van spreken en de regeering of ordre der Kercke."
De Synode toch zegt er van in haar Acta: „Doch wat de methode ofte maniere van spreken, en de regeeringe oft ordre der Kercke aanginch, dat datselvige naderhant van de inlantsche alleen naarder ondersocht soude worden. Is derhalve vermaent, ter selver tijdt, dat volghens dien de 31 en 32 artychel niet en behoefde geëxamineerd te worden; dewijle in beyde ghehandelt wiert van de Kerckelycke ordre; die sommiqhe uytheemsche van de onze verscheyden hebben."
Thans zijn er geen „Uytkeemschen"! Het standpunt is derhalve niet juist gekozen.
Wil men, gelijk Dr. Van Ronkel, de leer als uitgangspunt nemen, dan kan men Art.
30 niet missen; maar heeft men, wat meer zegt, aan Art. 30 niet genoeg, en dienen minstens de Art. 27—32 genomen. En doet men dö, t eenmaal, dan zal Dr. Van Ronkel zelf toestemmen, dat men ook hierbij niet kan blijven staan, overmits deze Artikelen weer wortelen in al wat voorafgaat.
De Belijdenis is geen legkaart.
Tevens merken we op, dat de bekende drie puntjes van Dr. Van Ronkel thans hun oplossing hebben gevonden.
Eens dreigde hij de Synode, als ze hem geen gehoor gaf, dan sou hij ...
Thans worden deze drie puntjes verklaard, en komt het dreigement hier op neer, dat hij dan elk jaar weer een soortgelijken smeekbrief aan de Haagsche Synode zal zenden.
Dit zal aan die Haagsche Synode nog al meevallen.
Toch doet ook onder dien vorm deze actie ons genoegen.
Als er maar roering komt in het moeras.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889
De Heraut | 4 Pagina's