In het officieel orgaan der Nederl. Her-
vormde kerk plaatste zijn redacteur de vorige week een klinkend manifest in zake Dr. Lieftinck, dat beteekenis genoeg bezit, om ook in onze kringen bekend te worden.
Want wel staat dit manifest in het nietofftcieele gedeelte, maar uit toon en stijl blijkt toch' overtuigend, dat de schrijver, Prof. Gooszen, wel terdege be, sef£e, hoe hij, alzoo sprekend, namens heel zijn Genootschap sprak.
Alleen uit dat besef laat zich het kerkvorstelijke en groot-hiërarchische van zijn Synodalen stijl verklaren.
Dit manifest nu lu'dde na korte inleiding aldus: De kerkeraad van Sliedrecht wordt schromelijk miskend.
Er staat daar een rechtzinnig predikant, die zich over de belangstelling van een groot gedeelte der gemeente mag verheugen.
De kerkeraad oordeelde zich verplicht, voor de bezetting der tweede predikantsplaats rekening te houden met de behoeften van het overblijvend deel der gemeente, en beriep een man van een andere richting.
Het zou er in menige groote gemeente van ons vaderland beter uitzien, bijaldien de waardigheidsbekleeders, dien het aangaat, konden besluiten, evenals de bedoelde kerkeraad, wat verder te zien dan de enge kring van den partijdienst pleegt te eischen ! Welk eene miskenning bovendien van het vigeerend kerkrecht! De belijdenisquaestie werd beslist. Vóór eenige jaren, toen de nieuwe onderteekeningsformule voor aanstaande predikanten en godsdienstonderwijzers is vastgesteld.
Te allen tijde heeft de onderteekeningsformule bij de toelating tot de Evangeliebediening aangegeven, welke de betrekking zij van den Evangeliedienaar tot de belijdenisschriften van de Kerk. In 1619 eischte men slaafsche onderwerping. In 1816 vroeg men instemming er mede, voorzoover Gods Woord het toeliet. In 1854 gaf men aan, welke stukken moesten worden beschouwd als den geest en de hoofdzaak uit te maken van de leer, vervat in de aangenomen formulieren. In 1887 is door de Kerk beslisf, dat alleenlijk zal gelden, of een voorganger der gemeente het Evangelie van Jezus Christus wil verkondigen overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande.
Daarmede is niet gewettigd leervrijlieid, die onzin is; daarmede is erkend gewetensvrijlieid, die de eisch is van het gereformeerd Protestantisme vooraL Over de vraag: of iemand overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande het Evangelie van Jezus Christus verkondigt en verkondigen wil, beslist daarom' geen kerkelijk bestuur meer, doch alleen de man, dien het aangaat.
En Dr. J. AV. Lieftinck heeft, den beroepsbrief naar Sliedrecht onderteekenende, reeds uitspraak gedaan. Hij heeft beloofd voor God en menschen, alles te zullen doen, wat een herder en leeraar volgens de verordeningen der Ned. Herv. Kerk betaamt! Maar het bezv/aarschrift dan van de zeventig Sliedrechtenaars ?
Wij zouden ons van de zaak kunnen afmaken met te zeggen, dat er niet één bewijs is aangevoerd, dat Dr. L. in strijd is met Art.
27 R. E. Allerlei ui', , het verband gerukte stellingen alleenliJK worden aangehaald, waaruit blijken zal, dat. deze > niet staat op het terrein van de Christelijke Kerk in het algemeen en de Hervormde in het bijzonder." Wat geeft dit ?
Of wie is er, van hen, die waarachtig hebben geleefd, d. i. hebben gewerkt en gedacht, onder vrijzinnigen en rechtzinnigen beiden, die b. V. niet anders leert over »de Godheid van Christus" en »de verzoenende kracht van zijn bloed" dan geschiedt in de Formulieren ? Als één bewijs voor vele volsta het beroep op Doedes' critiek ervan in zijn veel te weinig bekende geschriften over de Belijdenis en den Catechismus.
Dit kan en mag ook niet anders.
Er is veel onwaars in de Formulieren gezegd, en veel onjuists, volgens verkeerde' begrippen van menschelijke wijsbegeerte, en onder den invloed van overgeleverde dwalingen. liet Evangelie komt er niet door tot zijn recht. De Christus is een meerdere en heerlijker dan zij Hem konden afbeelden. De ziel van zijne overtuigingen, het geloof in het Rijk van den volstrekt goeden God, wordt er niet dan in 't voorbijgaan vermeld En van de verplichtingen, die de opname er in ons allen oplegt, valt haast geen sprake! En men zou zich verbazen, dat de menschelijke geest zich aangordt, en de misvattingen bij en de tekortkomingen in de beschrijving van het Evangelie van het Koninkrijk Gods (Mark. i : 14) opspoort en aanwijst?
Wij v/eten het wel: meer dan eens is dit laatste geschied op ruwe en hartstochtelijke wijze, zonder den eerbied, dien de gebrekkige vormen, waarin een vroeger geslacht zijn geloof beleed, verdienen. Vaker nog heeft men den strijd aangebonden, niet in den naam alléén van den Christelijken godsdienst naar wezen en strekking, maar op het gezag van een of ander wijsgeerig stelsel, .van eene theorie, totaal buiten het Christelijk geloof omgaande, omtrent de eenheid, de orde, den samenhang van het heelal. Wij onderzoeken hier niet, of Dr. L misschien in het eene of het andere opzicht schromelijk heeft gedwaald.
Ons is het maar om dit ééne te doen: Er mag in de Nederlandsch Hervormde kerk niet de houding worden aangenomen, alsof het mogelijk was en noodig, dat een predikant of godsdienstonderwijzer behoort in te stemmen met de stukken, die in de Formulieren van Eenigheid begrepen zijn.
Alsook om dit andere: De gewetensvrijheid van de voorgangers moet worden geëerbiedigd als een heilig en kostbaar verkregen recht.
En als iemand, gelijk Dr. Lieftinck, de beroepen tweede predikant van Sliedrecht of wie anders ook, met zijn handschrift bevestigd heeft en verzekerd : dat hij alles wil doen, wat een herder en leeraar overeenkomstig Gods heilig Woord, volgens de verordeningen der Ned. Herv. kerk, betaamt, inzonderheid door het verkondigen van het Evangelie^ dan behoort men voor zulk een verklaring het hoofd te buigen.
Dan kunnen volgens de sedert 1887 vigeerende regeling onder de bezwaren, de Evangeliebediening en den wandel van den beroepene betreffend, geen andere meer worden verstaan dan bezwaren, de fralttijk der bediening en het levensgedrag betreffende.
De toestel van de inq-uisitie is buiten de poorten van de Kerk gezet, en met de kettergerichten is het in ons midden uit voorgoed.
. Die daar smaak in heeft, die de onoprechtheid wil en den leugen, welke die dingen altijd, overal en bij allen natuurlijk en noodwendig tevoorschijn roepen, moet maar gaan doleeren, of Roomsch, of Afgescheiden worden : in onze Kerk is geen plaats langer voor hem.
Die Kerk, de Nederlandsch Hervormde Kerk, behoeft deze stichtingen, die de leertucht heeten te oefenen langs kerkrechtelijken en uitwendigen weg, hare schijnbare eenheid waarlijk niet te benijden.
Laat ons geduld hebben ! De strijd, die de partijen thans nog zoovelen tegenover elkander doet staan, en de diepgaande tweespalt is niets dan een gevolg van de be lemmeringen, door menschelijke inrichtingen vroeger aan het onderzoek naar — en aan het uitspreken van — de Christelijke waarheid in den weg gelegd.
De smarten, die we allen meer of minder lijden, zijn de weeën der wedergeboorte van ons kostelijk Gereformeerd Protestantisme.
Straks staat het daar, temidden van de overige verschijnselen van het menschelijk leven, herboren tot een nieuw, krachtig leven.
Alle repristinatie is geoordeeld, en ook veroordeeld het streven, om het verouderde een kunstmatige bezieling in te gieten.
De Heilige Geest alléén werkt ontwikkeling, en zal ons onzen arbeid doen gelukken.
Op Zijn feest luisteren we naar — en sterken ons met het woord van den Eénigen Meester, wiens leerjongeren we willen zijn.
Hi; zal te in de V/aarheid leiden. En - — die WAARHEID alléén zal ti vrifmalien!
Dit breede manifest is een pijnlijke bijdrage tot de kennis van den v; aren toestand in de Ned. Herv. kerk.
Immers Prof. Gooszen is geen Moderne, maar een Groninger van zuiveren bloede.
Een man, die volstrekt niet met Dr. Lieftinck meegaat, maar in elke predicatie en op elk college de geestesrichting van Dr.
Lieftinck bestrijdt.
En toch oordeelt deze kerkelijke autoriteit, da.t elke poging, om in de Ned.
Herv. kerk de voortwoekering van de propaganda des ongeloofs te keeren, luidkeels te veroordeelen is als dweepzieke enghartigheid.
En wat zijn nu de gronden, waarop dit krasse manifest rust ?
Ze zijn drie in aantal.
Vooreerst is hij van oordeel, dat de leerquaestie in de Ned. Herv, kerk niet nog beslist moet worden, maar uitgemaakt is.
En wel beslist in dezen zin, dat er geen leervrijheid zal zijn, maar ook dat aan deze leervrijheid geen andere beperking zal worden aangelegJ, dan voorzooyeel de aanstaande prediker heeft te verklaren: ., ., Het Evangelie van Jezus Christus te willen verkondigen overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde kerk hier te lande."
Ten tweede spreekt hij uit, dat elk teruggaan op de Drie Formulieren van eenigheid pure dwaasheid is en kerkrechtelijk ongeoorloofd. Tegen deze Formulieren met beslistheid in te gaan, acht hij niet slechts geoorloofd, maar zelfs plicht. Zoo plicht, dat het er minder toe doet, of de eene of andere prediker daarbij wat ruw en hardhandig te weik gaat. Bestrijding der Drie Formulieren is hoofdzaak. Wie daar maar aan meedoet, is zijn man. Immers de Drie Formulieren van eenigheid zijn voor hem niet de tdtdrukking, maar een caricdtuur van het Evangelie. Én Idit Evangelie tegen de Drie Formulieren te handhaven, geldt voor hem als heilige plicht.
Tejt derde is hij van meening, dat de vraag, of een prediker zich dan ten minste houdt aan de nietszeggende Proponentsformule: »om het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen naar de beginselen en het karakter der Hervormde kerk", niet aan de kerk, maar aan dien prediker selven ter beoordeeling staat. Hij moet maar weten, of hij zijn belofte houdt.
Het staat aan hem en niet aan de kerk uit te maken, wat „het Evangelie" i.? . En evenzoo moet hij, en niet de kerk beoordeelen, wat „de beginselen en het karalcter der Ned. Herv. kerk" zijn.
Zoo zelfs, dat als een man, als Dr. Lieftinck, den Christus en zijn Persoon en Werk geheel verloochent, en sijn Evangelie ganschelijk vernietigt, en alles onderstboven werpt wat ooit beginsel of karakter van onze kerken was, hij toch moet geacht worden vrij uit te kunnen gaan, mits hij zelf maar waant, dat hij op het goede spoor is.
De gewetensvrijheid der kerk noch de zaligheid der zielen doet er iets toe. Het komt er maar op aan, om de conscientie--vrijheid van den prediker te handhaven.
Eevi onderzoek of hij trouw blijft aan zijn woord, ware inquisitie. " < En ten vierde, niet de kerkelijke tuclit, maar alleen de zvaarkeid zal ons vi ij maken, en deswege ziet de redactie van de Kerk. Cour. in de verloochening der waarheid en in de prediking der leugen zulk een been niet.
Dit manifest zal sensatie maken.
Geen grooter ondienst kon Prof. Gooszen aan zijn Genootschap doen, dan zulk een stuk de v/ereJd in te zenden.
Veler oogen zullen er weer door open gaan.
Want iaat ons het zeggen zooals' het is: Driester dan in dit manifest heeft het ruwste Clericalisme den kop al zelden opgestoken.
Het is in dit manifest de Leeraar en nogmaals de Leeraar en altoos de Leeraar, om wien heel de kerk bestaat.
Hij is de geleerde man, die macht tegenover de Belijdenis der kerk moet bezitten.
Hij is de - hooge personage, aan v/iens persoonlijke rijheid zelfs het Evangelie van Christus in de kerk moet opgeofferd.
De gemeente telt niet mee. De rust en de vrede der zielen doet er niets meer toe. Van de behoudenis der zielen is geen sprake meer.
Als de Leeraar maar doen kaa wat hij wil.
Ja, erger nog, zelfs met de eere onzes Gods wordt niet meer gerekend.
Niet of Christus in zijn kerk tot zijn eere komt, maar of de Leeraar zich vrij bewegen inslag. kan, is in dit stuk Ecliering en inslag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1889
De Heraut | 4 Pagina's