Met onverdeeld genoegen namen we ken
nisvan de zes stellingen, waarin Dr. Hoedemaker zijn denkbeelden over de reorganisatie der kerk geformuleerd ' J-eft.
Reeds voor jaren uitten we den wensch, dat hiermee begonnen ware.
Zoolang ge uw denkbeelden nog niet in steilingen kunt formuleeren, ontbreekt het u zelven nog aan klaar en helder bewustzijn van v/at u voor oogen zweeft en zijt ge ten eenemale onmachtig aaa anderen uw bedoeling duidelijk te maken.
Te meer verblijden we er ons over, dat het hier thans eindelijk toe gekomen is, en gunnen we ons, ns. het zomerreces, gaarne de moeite, om deze stellingen te toetsen.
Thans volstaan we met de mededeeling gevolgd door een drietal korte opmerkingen.
Deze zes stellingen dan luiden: I. Het Alg. Regl. van 1816, •waardoor de Herv. Kerk eene Bestuursinrichting verkreeg, is in zijn oorsprong onwettig. Het is ingevoerd door eene macht, die hiertoe, zoowel uit een Staatkundig als uit een Kerkelijk oogpunt, onbevoegd was.
Ofschoon de Staatsinmenging in 1852 ophield, ofschoon het Reglement van 1816 tegelijkertijd eene belangrijke wijziging onderging, ofschoon deze wijziging in menig opzicht eene verbetering mag worden genoemd, ofschoon de meerderheid der stemgerechtigde leden hierdoor, destijds en later, in de gelegenheid werd gesteld eenigen invloed op de samenstelling der Besturen, en, langs dien weg, op de aanneming en verwerping van Reglementen te laten gelden, duuit de onwettige invloed der Staatsmacht op onze Kerk voort in zijne gevolgen.
(Art. 139 van de Grondwet voor het Koningrijk Holland.
Advies Raad van State 12 Mei 1814.) II. Het eigenaardige kenmerk van onze organisatie ligt in hare Bestuursinrichting, d. i. in het feit, dat de Kerk, als één geheel gedacht, geregeerd wordt door in rang opklimmende Besturen, in plaats van zich in uitbreidende vergaderingen te openbaren.
Voor zoodanige inrichting kan in de Heilige Schrift geen enkele grond worden aangewezeti.
Daarentegen is zij in strijd met hetgeen, bij wettige gevolgtrekking, uit de Heilige Schrift kan worden afgeleid, gelijk ook met de grondbeginselen van onze Kerk, zooals deze uit hare belijdenis, hare verordeningen en hare geschiedenis worden gekend; piet minder is zij ook in strijd met de roeping onzer kerk. • (Acta Wezel VII Art. 14. Art. iVII Conf Ilelvet. Art. XXX Conf Belg.) Uitspraken der H. S. omtrent de kerk, het Kerkverband, de ambten, de roeping om niet alleen als individuen, ook niet alleen alsplaatselijlie Kerken, maar als één geheel te arbeiden aan de uitbreiding der Kerk.
III. Het bestaan van in rang opklimmende besturen, in plaats van zich uitbreidende vergaderingen, is een der meest voor de hand liggende beletselen tot den bloei der Herv.
Kerk.
Door deze inrichting worden de classicale vergaderingen van de haar toekomende regeermacht beroofd, en tot kerkelijke kiescolleges verlaagd; wordt de eenheid der Kerk, die zij beweert uit te drukken, grootendeels onzichtbaar, de normale werking van de tucht tot genezing van de Kerk belet, en de kerkelijke quaestie volstrekt onoplosbaar.
De theorie, die aan deze inrichting ten grondslag ligt, sluit in zich eene verloochening van het Gereformeerd beginsel. De praktijk, waartoe zij aanleiding geeft, is door en door onzedelijk, inzoover zij i". zich moet bedienen van. dubbelzinnige en uiterst rekbare formules, om een schijneenheid en schijnvrede te handhaven; 2". de Kerk onherroepelijk aan den geest van partijschap overlevert.
Daarenboven is zij, ongedeerd den niet gering te schatten zegen, die van de Kerk, ook in dezen toestand, uitgaat, verwerpelijk, omdat zij den band van gemeenschap met buitenlandsche kerken verbreekt; aanleiding geeft, dat he*, lelfe dïf; jfeftk l'h'airerlei onverkwikkelijke \n (Jnwuclitb^lé, «twisten wordt verteerd; alsmede, ; omdat'ftij het individualisme op het terrein van Christelijke werkzaamheid den vrijen teugel laat, en het sectarisme doet tieren, dat onzen Staat te gronde richt.
IV. Het kweeken dezer overtuiging, insteê van de partijschap te voeden en aanleiding te geven tot scheuring, hetzij in den vorm van Doleantie, of in dien van Afscheiding, is een afdoend verweermiddel tegen beiden.
Afscheiding nl. onder de organisatie verraadt onschriftuurlijke denkbeelden aangaande het verbond, den Doop, de kerkelijke tucht; terwijl afscheiding van de organisatie, d. i. de Doleantie, daarenboven nog onbijbelsche en onhistorische voorstellingen veronderstelt ten opzichte van de Kerk, het kerkverband, en de ambten in de Kerk.
Daarenboven wordt het verband tusschen de Kerk des Ouden en die des Nieuwen Verbonds door beiden niet zuiver opgevat; de belijdenis van de Geref. Kerk aangaande de Overheid door de Doleerenden en vele Afgescheidenen verloochend, en vervangen door eene theorie van zuiver revolutionaire herkomst.
Het verkeerde in onze organisatie is geen uitvloeisel van leerstellige dwalingen in de Jle^ Kerk, maar een uitiuendig beletsel.
Het raakt niet het wezen of van de Kerk, of van de belijdenis, of van het ambt., of van de tucht, maar alleen hun welwezen.
V. Onder deze omstandigheden is onze plicht duidelijk voorgeschreven, t. w.: i'.feen dankbaar gebruik te maken van de gelegenheid, die onze Kerk biedt of laat om de gemeente te verzamelen en haar in het Evangelie te dienen.
2°. In de overtuiging, dat ieder kerkelijk conflict ons brengt, in een impasse tusschen onze rechten en plichten als opzieners en die van andere leden en opzieners, of tusschen de rechten van de plaatselijke Kerk en die van andere plaatselijke Kerken, of tusschen de rechten van het beheer en die van het bestuur, geene conflicten te zoeken, daarvan geen heil te verwachten, maar ons evenmin door nuttigheidstheorieën te laten bewegen ze angstvallig te vermijden en te ontvluchten, 3". Onszelven en anderen uit het Woord van God, aan de hand van de belijdenis en de praktijk der Geref Kerken, duidelijk zoeken te maken, binnen welke grenzen de verdraagzaamheid geoorloofd en plichtmatig is, en in hoever het kwaad kan en moet getolereerd worden, dat wij niet bij machte zijn te verwijderen.
4". De aangewezen middelen tebaat te nemen, om de verwijdering van de Bestuursinrichting, met behoud van hetgeen daarin goeds mocht worden gevonden, met allen ernst en in het besef van onze machteloosheid en in 's Heeren kracht te zoeken ; zóó te zoeken, 1". dat het administratief gedeelte van de taak der Kerk aan besturen, in den vorm van vaste en verantwoordelijke commissiën, worde toevertrottwd; a**. dat de rekening worde gehouden met den actueelen toestand der Kerk, derhalve a. ongedeerd de vrijheid van de gemeenten, b. met erkenning van de noodzakelijkheid van overgangsmaatregelen in den vorm van een modus vivendi, en bijgevolg c. door uitbreiding van de werkzaamheden der Classes:3". dat de verlangde reorganisatie voorafgegaan worde door een onderzoek naar de zuivere beginselen van Kerkregeering, en eenig en alleen ten doel hebbe haar in overeenstemming te brengen met het Woord van God; m. a. w. dat zij niet worde ondernomen in een uitsluitend confessioneel belang, veel minder in dat der repristinatie.
VI. Aangezien de rechtsbasis der organisatie, volgens het arrest van den Hoogen Raad gezocht is in verjaging en de vrijwillige medewerking van de gemeenten; alsmede aangezien de Herv. Kerk uit die gemeenten of plaatselijke Kerken bestaat; verder ook, omdat hun geen ander middel overblijft om hunne rechten te doen gelden, zoolang de Synode het initiatief niet neemt tot reorganisatie, hebben zij de roeping althans, bij monde van den Kerkeraad, én aan de Synode én aan den Koning uitdrukkelijk mede te deelen, dat hunne medewerking tot de organisatie geene andere beteekenis heeft, dan die van eene onafwijsbare onderwerping aan hetgeen zij verkeerd achten, omdat hun de macht ontbreekt .het te veranderen, en omdat zij geene vrijheid hebben hunne bediening vaarwel te zeggen, hunne rechten prijs te geven, en zoowel de Kerk als hunne gemeente te verscheuren ter wille van een uitwendig beletsel, waarbg hun nog zoo veel vrijheid van beweging wordt gelaten.
(Art. I. Alg. Regl. der Ned. Herv. Kerk.) Hierbij nu merken we thans reeds terloops, en in afwachting van nadere toetsing, op: i". dat de feiten, waarvan Dr. Hoedemaker uitgaat, niet geheel juist zijn omschreven.
Met name geldt dit de 63 stelling. Het is toch niet zoo, dat de Hooge Raad bij zijn arrest er van uitging alsof de Organisatie van 1816 door de gemeente als corporatie, ware aanvaard; maar heel anders, dat de Hooge Raad uitging van de stelling, dat de leden het Reglement rehus ipsis et factis hadden aangenomen.Volgensden Hoogen E.aad wierd het niet ééne uit gemeenten bestaands kerk, maar een uit persoonlijke leden bestaand Genootschap.
2". Dat Dr. Hoedemaker zich ten eenemale vergist, zoo hij oordeelt dat de Doleantie »eene afscheiding onder óe orga.mss.tis is, " Uit elk stuk dat naar den Koning ging, bleek, dat de Doleantie juist breking met de organisatie was, en op het Synodaal Convent zoowel als op de Synode te Utrecht, is dit feit zoo luid en zoo duidelijk mogelijk geconstateerd.
En 3°. dat het fijne punlje van Dr. Hoedemakers stellingen schuiit in deze zinsnee: „Onafwijsbare onderwerping aan hetgeen zij verkeerd achten, omdat hun de m.acht ontbreekt om het te veranderen."
Dat is Thorbecke: Het kan niet anders! En teg^en Grjens leus: Het moeianéersl Van het Koningschap van Christus in deze stellingen dan ook geen woord.
Dit teekent.
Hierbij laten v/e het voorshands, Dr. Hoedemaker dank zeggende dat hij eindelijk geformuleerd heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1889
De Heraut | 4 Pagina's